DIKKE VRIENDEN; De vervlechting van belangen tussen Nederlanden Shell

Tussen Nederland en Shell bestaat een innige haat-liefdeverhouding, waarin de liefde overheerst. De aanwezigheid binnen zijn grenzen van het hoofdkantoor van een grote multinational als Shell is van groot belang voor Nederland. Alleen als Zuid-Afrika ter sprake komt, wordt de toon wat minder aangenaam. Shell en Nederland zijn dikke vrienden. Naast de historische banden - dehoofdzetel van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappijstond, met uitzondering van de jaren 1940-1946, steeds in Den Haag - iser sprake van grote gemeenschappelijke belangen van de staat en hetolieconcern, van een nauwe verwevenheid, economisch, qua relaties met depolitiek en in de personele sfeer. In de loop der jaren heeft de 'Koninklijke', de Nederlandse moedermaatschappij van de Shell Groep, vele prominente Nederlanders onder haar bestuurders geteld: Colijn, Zijlstra, Witteveen, om maar enkele namen te noemen.

Misschien ligt de meest interessante vervlechting van belangen tussen Nederland en Shell wel op het terrein van wetenschap, onderwijs en research. Veel Shell-medewerkers, ook zij die elders in de wereld voor het concern worden ingezet, worden aan Nederlandse technische hogescholen opgeleid. Met twee van de grootste onderzoekslaboratoria (Rijswijk en Amsterdam) die de olie-industrie rijk is, geeft het concern in Nederland een belangrijke impuls aan wetenschappelijke research op het terrein van bij voorbeeld mijnbouw, geologie, nieuwe energie, en chemie.

De nauwe banden met Nederland hebben ook negatieve kanten. Meer dan in enig ander land heeft de 'Koninklijke' op haar thuisfront aan heftige kritiek blootgestaan over Shells aanwezigheid in Zuid-Afrika. Doorgesneden benzineslangen, boycotacties en andere - meer vreedzame - protesten vormen daarvan het bewijs. 'Nederland is uit verschillende oogpunten van enorme betekenis voor Shell', zegt oud-president-directeur Gerrit A. Wagner die na zijn actieve periode bij het concern via het voorzitterschap van twee naar hem genoemde commissies een belangrijk aandeel had in het opkrikken van het Nederlandse industriebeleid. Wagner: 'Shell is zeer kapitaalintensief en verschaft hoogwaardige arbeid'.

Philips

In zuiver economisch opzicht - qua werkgelegenheid en omzet - is Shell in Nederland bij lange na niet de grootste onderneming. Shell Nederland boekte vorig jaar met ruim 15.500 medewerkers een omzet van 21,2 miljard gulden. Wat het verschaffen van werkgelegenheid betreft kan het bedrijf niet in de schaduw staan van bij voorbeeld Philips (65.000 personeelsleden in Nederland). Maar wat winstgevendheid betreft, laat Shell Nederland het Eindhovense elektronicabedrijf achter zich. Shells winst in Nederland was vorig jaar 1,5 miljard gulden, meer dan het hele Philips-concern in 1989 verdiende (het totale Shell-concern boekte een winst van ruim 12 miljard gulden). De grote raffinaderij in Pernis, de chemie-complexen in Pernis en Moerdijk, de NAM (half van Shell, half van Esso) en niet te vergeten de research-laboratoria zijn de voornaamste actiteiten van Shell in Nederland. De bijdrage van de NAM aan olie- en gaswinning is voor de nationale economie van groot gewicht, net als de gasdistributie via Gasunie (waarin Shell evenals Esso voor een kwart participeert). Door de vondst van het aardgas - de bel van Slochteren is eind jaren vijftig door de NAM ontdekt - is Nederland voor Shell nog aanzienlijk belangrijker geworden. En omgekeerd profiteert de schatkist - hoewel thans aanzienlijk minder dan enkele jaren geleden - in ruime mate van de gaswinsten.

De relaties tussen Shell en Nederland, daarover is iedere waarnemer het roerend eens, zijn uitstekend. Dat betekent nog niet dat de Shell-top de deur bij bewindslieden plat loopt. 'Wij hadden', vertelt Wagner, 'in Nederland gemakkelijk toegang tot bewindslieden. Maar u moet niet denken dat, toen ik president-directeur was, ik gewend was ministers lastig te vallen. Ik heb bij voorbeeld in die tijd een keer gesproken met Van Agt (in zijn functie als minister van justitie, red.). Dat ging over een belangrijk punt bij de nieuwe vennootschapswetgeving. Lubbers heb ik in die periode wel eens gezien maar hij is nooit bij ons te gast geweest. Als het niet nodig is, moet je dat niet doen. Er is geen sprake van dat wij trachten via onderonsjes dicht bij de politiek te komen.' De huidige president-directeur, ir. L. C. van Wachem, vertelt dat hij individuele ministers geregeld informeert over zaken waarvan hij meent dat ze voor de Nederlandse regering van belang zijn. 'Dat reken ik tot mijn taak', aldus Van Wachem.

Economische Zaken

Over de relatie met de Nederlandse overheid zegt dr. J. W. H. Geerlings, tot een half jaar geleden directeur oliebeleid van Economische Zaken: 'Ik heb veel besprekingen gehad met mensen van Shell, over olievoorziening in crisistijd, over de voorziening op de Nederlandse markt, over prijzen en milieu-eisen enzovoorts. Mijn ervaring is dat Shell altijd open staat voor contact met mensen die weten waar ze het over hebben. Je moet er niet met een of ander praatje naartoe gaan. Dan word je meteen ontmaskerd.'

Shell staat, aldus Geerlings, in de internationale oliewereld bekend als een maatschappij die in elk van de landen waar ze werkt, zich goed weet te verstaan met de overheid. En die met nationale wetten en regels goed omgaat en ze goed toepast. 'Men zegt wel eens: de leiding van Shell bestaat voor een belangrijk deel uit diplomaten. Dat is voor Shell een van de manieren om te overleven en om het goed te doen. Ik heb bij andere maatschappijen wel eens gemerkt dat dat van die 'roughnecks' waren. Die waren groot geworden in de 'drilling' en die zouden wel eens eventjes... '

In de Verenigde Staten is de verhouding tussen olie-industrie en overheid heel anders dan hier, verduidelijkt Geerlings. 'Wij praatten elke maand, later elke twee weken met elkaar over prijzen. Toen hadden we nog het 'maximumprijssysteem'. Er is zelfs een Olie Contact Commissie. Zo'n club is in Amerika volstrekt ondenkbaar. Daar weten ze maar een antwoord: Alcatraz! Want dat is samenspanning, dat is tegen de anti-trustwetgeving. Hier hebben we ze graag bij elkaar, dan weten we tenminste dat we tegen iedereen hetzelfde vertellen. Overleg op prijzengebied maar ook over de kwaliteit van olie, over milieumaatregelen. Als zij dan wat zeggen, hebben ze er allemaal bij gezeten en dan bindt het ze ook allemaal.'

Belangen

Toch realiseert de Nederlandse overheid zich terdege dat ook op bepaalde punten sprake is van tegengestelde belangen. Drs. R. Bemer, directeur gas van Economische Zaken: 'Er is van nature een zekere belangentegenstelling tussen Shell/Esso en de Staat. Elke cent die zij naar zich toe willen trekken, gaat ten koste van de Staat. Het gaat om een miljardenbusiness, wij zijn hier ingehuurd om dat proces goed te bewaken. De Staat heeft een langer zicht in verband met de energievoorziening op termijn; zij hebben een wat korter zicht, hoewel ik moet toegeven dat de grote dinosaurussen ook op langere termijn kijken wat ze kunnen doen en hoe ze het beste kunnen verdienen en continuiteit in de business kunnen houden. In zeker opzicht zijn we collega's, maar tegelijk concurrenten. We doen actief aan samenwerking, wetende dat die belangentegenstelling er is.' Het feit dat de top van de Koninklijke/Shell Groep in Den Haag zetelt, heeft Nederland geen windeieren gelegd, constateert drs. Arie van der Hek, oud-lid van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, thans directeur van de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij (NOM). Hij wijst nadrukkelijk op het belang van de 'spin off' van de Shell-vestigingen in Nederland: de toelevering door Nederlandse bedrijven en de uitstraling op het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Van kritiek op de macht van de multinationals, zoals die in linkse kringen vaak is geuit, valt bij Van der Hek niets te beluisteren: 'Een paar grote concerns als Shell, Philips, Akzo en Unilever die wereldwijd opereren en voor een belangrijk deel via Nederland - dat heeft grote aantrekkingskracht op anderen, die technische produkten, diensten en faciliteiten kunnen leveren'.

Macht

Oliebusiness is altijd politieke business, zegt Arie Van der Hek. 'De energievoorziening heeft veel te maken met het economische wel en wee van een land. Kijk naar de oliecrisis in 1973. Op zo'n moment blijkt de grote betekenis van maatschappijen als Shell, want Nederland is distributiecentrum voor energie. Toen het olie-embargo werd afgekondigd en de Verenigde Staten en Nederland het hardst dreigden te worden getroffen, zijn de zogenoemde Seven Sisters een werkverdeling overeengekomen, waarbij Shell zorgde voor de olievoorziening in Nederland. 'Ook ik had aanvankelijk de indruk dat Nederland stevig werd gepakt door de Arabieren, en dat de oliemaatschappijen daaraan meewerkten. Ook de Nederlandse regering wist niet wat er speelde, hoe de bevoorrading precies liep. Maar de maatschappijen wisten wel hoe het zat. Achteraf moet je zeggen dat de toen ingestelde benzinedistributie flauwekul was. De Oeso kwam later met statistieken waaruit bleek dat er genoeg voorraden waren.' Of de oliemaatschappijen een enorme macht vertegenwoordigen? Van der Hek: 'Zeker, maar ik heb nooit iets gemerkt van misbruik van die macht. Ze hebben de schijn tegen omdat ze de hele keten van aanvoer, opslag en distributie in handen hebben. Ze laten de regering ook duidelijk merken dat het hun business is, dat anderen zich daarmee niet te veel moeten bemoeien', aldus Van der Hek. 'Voor een grote onderneming als Shell is het heel belangrijk dat ze vooral op de thuisbasis haar tanden laat zien', zegt gas-directeur Bemer van Economische Zaken. 'Dat ze dus vooral in Nederland lastig is. Zo ontkende oud-president-directeur De Bruyne ontkende begin jaren tachtig, direct na de eerste publikaties, dat er een zogenoemd Herenakkoord tussen Economische Zaken en de oliemaatschappijen was gesloten. 'We doen het op onze termen', zei hij. Maar uiteindelijk hebben ze ook de voorwaarden van EZ geaccepteerd. Het lag gevoelig. Intern mocht niet de indruk ontstaan dat ze waren ingepakt.'

Dat Shell machtig is op het gebied van technologie, vindt oud-EZ-directeur Geerlings alleen maar prachtig. 'Ze investeren veel, bieden hoogwaardige werkgelegenheid. Als je vraagt: misbruiken ze hun macht om bij voorbeeld milieu-investeringen tegen te houden, dan zeg ik: nee.'

Maar volgens Geerlings zijn er ook geen voorbeelden dat Shell voorop loopt met milieumaatregelen. 'Ze zijn er toch in de eerste plaats om geld te verdienen.'

Ethiek

In 1976 introduceerde Shell onder leiding van de toenmalige topman Gerrit Wagner een verklaring van algemene beleidsuitgangspunten. Daarin zette het concern zijn economische principes uiteen, ingekaderd in een gedragscode. Wagner zegt daarover nu: 'Heel veel van die dingen zijn niet ethisch hoor, dat is gewoon voorzichtigheid. Met ethiek moet je oppassen. Heel veel dingen vallen gewoon samen met een verstandige, voorzichtige bedrijfsvoering om in de business te blijven. Ik weet wel dat in ons bedrijf de verantwoordelijkheid naar binnen en naar buiten voortdurend onderwerp van gesprek is. Er was intern nogal wat weerstand tegen de verklaring. Mensen zeiden: dat is een overtollige ethische code. Maar dat is helemaal niet waar. Er staat ook in welke rechten wij denken te hebben, wat regeringen jegens ons zouden moeten doen. Maar het is wel een beleidsfilosofie waaraan onze mensen zich moeten houden.' In de visie van drs. Bemer van Economische Zaken heeft de politiek 'behoorlijk wat invloed' op grote multinationals als Shell. 'Shell is geen ivoren toren. Ze zijn een vrij open, naar de samenleving gericht bedrijf, ze komen echt wel bij de minister binnen, maar maken geen misbruik van hun positie. Ik moet zeggen dat ik in de bibliotheek van Shell en Esso boeken over ethiek en ondernemen ben tegengekomen die je hier in de ambtenarij niet vindt. Zij weten als geen ander hoe voorzichtig je met macht moet omgaan, daar zijn ze groot mee geworden.' Nimmer hebben de 'business principles' van Shell het concern verhinderd, zijn 75 jaar geleden begonnen zaken in Zuid-Afrika voort te zetten, ook al leidde het apartheidsbewind in dat land tot ernstige schendingen van de mensenrechten, die internationaal werden veroordeeld. Integendeel, Shell voerde voor haar zwarte werknemers een relatief goed sociaal beleid en greep vooral de laatste tien jaar vele mogelijkheden aan om bij het blanke minderheidsregime in Pretoria aan te dringen op politieke veranderingen. Het tot in den treure herhaalde pleidooi van actiegroepen en kerkelijke organisaties in Nederland en daarbuiten voor desinvestering haalde niets uit. Dat leidde tot grimmige, voor Shell schadelijke acties. In april vorig jaar werd een blokkade van het Shell-laboratorium in Amsterdam door de ME gebroken waarbij 15 actievoerders gewond raakten. Alleen al in 1989 werden in Nederland 200 aanslagen op Shell-pompstations gepleegd waarbij veel pompslangen zijn doorgesneden.

Pijnlijk voor Shell was ook de weigering, in 1987, door de Universiteitsraad van de Technische Universiteit in Delft om president-directeur Van Wachem een ere-doctoraat te verlenen zoals het College van decanen wilde, en de weigering, vorig jaar, door het gemeentebestuur van Delft om Shell Nederland toestemming te geven voor een diner in het gemeentelijk museum de Prinsenhof ter gelegenheid van het afscheid van directeur Hooykaas.

Shell-pomphouders halen opgelucht adem nu door de hervormingen in Zuid-Afrika de felheid van de acties lijkt af te nemen. Dat geldt ook voor de Nederlandse regering die herhaaldelijk beslissingen van gemeenten afkeurde om bedrijven met belangen in Zuid-Afrika te boycotten.

Rhodesie

Veel ingrijpender voor de regering waren trouwens de publikaties over overtreding van de olieboycot van de Verenigde Naties tegen Rhodesie in de jaren zestig en zeventig. Volgens de Britse auteurs Louis Turner en Martin Bailey waren daarbij verschillende oliemaatschappijen betrokken, ook Shell.

Shell zelf heeft altijd ontkend welke boycot dan ook te hebben overtreden. 'De realiteit is dat geen enkele Shell-maatschappij buiten Zuid-Afrika ruwe olie of olieprodukten aan Zuid-Afrika verkoopt of daarheen vervoert. Er is ook geen enkele Shell-maatschappij die willens en wetens ruwe olie verkoopt aan derden die van plan zijn die olie, hetzij rechtstreeks, hetzij indirect, naar Zuid-Afrika door te verkopen', aldus de publikatie 'Shell en Zuid-Afrika' die door het concern is uitgegeven. Shell-Zuid-Afrika betrekt zijn olie zelf op de wereldmarkt. 'A shabby episode' noemt Turner die geschiedenis van de Rhodesie-boycot in zijn boek The Oil Companies and the International System. Het rapport-Bingham, van een Britse parlementaire onderzoekscommissie (1978), sprak van indirecte leveringen aan Rhodesie door een aantal maatschappijen waaronder Shell Zuid-Afrika. Een groep Nederlandse juristen, onder wie de toenmalige procureur-generaal van de Hoge Raad mr. G. Langemeijer, kritiseerde na de publikatie de Britse en de Nederlandse regeringen omdat zij niet tijdig hadden ingegrepen.

In 1977 antwoordde de Nederlandse regering op een verzoek van de Verenigde Naties om informatie, dat volgens de Koninklijke Shell Groep de maatschappij geen kennis droeg van enige doorvoer van olie naar Rhodesie waarbij Shell-Zuid-Afrika betrokken was. Martin Bailey concludeert in zijn boek Het olieschandaal 1965-1980 dat die verklaring onjuist was en dat de Nederlandse regering al vanaf 1966 op de hoogte was van illegale leveranties aan Rhodesie. Minister Van der Stoel ontkende dit. Maar de Nederlandse regering heeft zelf nooit onderzoek naar deze affaire ingesteld. Ook heeft de regering afgezien van een opsporingsonderzoek in Nederland tegen de betrokken maatschappijen (Shell en BP) en mogelijk verantwoordelijke functionarissen, onder wie de huidige president-commissaris van Shell, drs. D. de Bruyne, destijds coordinator Afrika voor het concern. Zo'n onderzoek had volgens minister van justitie De Ruiter geen zin. De Tweede Kamer stemde met die conclusie in. Ook Groot-Brittannie had afgezien van strafrechtelijke vervolging.

Stijl

Mensen die contacten hebben met Shell, zijn over het algemeen lovend tot zeer lovend over de stijl en de professionaliteit waarmee Shell-employees opereren. 'Ze onderhandelen altijd correct maar keihard', zegt Bemer van Economische Zaken. En NOM-directeur Van der Hek: 'Ze zijn minder spraakmakend dan bij voorbeeld Akzo en Philips. Shell heeft een 'low profile', heeft het niet nodig om aan de weg te timmeren. Ze werken heel professioneel, 'high handed'. Ze weten dat ze groot zijn. In hun bejegening van anderen waarmee ze wel eens om tafel zitten, ik heb dat hier in Groningen ook gemerkt, stellen ze zich strak op, bij het chique af, maar net niet arrogant. Hard maar nooit onredelijk.' Hoogleraar Peter Odell, verbonden aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit en vaak beschouwd als een hinderlijke luis in de pels van de grote oliemaatschappijen, laat zich opvallend lovend uit: 'Ik denk dat Shell visie en grote strategieen heeft. Er werken mensen die de grote verbanden kunnen overzien, die een soort grand design maken waarmee ze veel succes boeken. Shell is waarschijnlijk de enige grote maatschappij met mensen die echt geinteresseerd zijn in zo'n benadering. Het komt voort uit het Europese karakter van de groep. BP valt niet in die categorie omdat het concern niet een continentaal Europees karakter heeft. BP is bovendien altijd gerund door de exploratiedeskundigen. Shell wordt geleid door diplomaten. Het zijn geen mensen die een dubbele dorst hebben naar olie en chemische techniek, maar een dubbele dorst naar ethiek of filosofie en economie. Dat is een belangrijk onderscheid. Dat is de sfeer en zo onstaan de grote ideeen, de strategieen. Dat is typisch voor Shell.'

Sponsering

Shell helpt Nederland ook buiten de directe sfeer van energie. Geen sponsoring van sportclubs (Johan Cruyff is vergeefs bij Wagner langs geweest met het verzoek om Ajax te steunen) maar wel veel werkgelegenheidsplannen, opleidingen, hulp aan jonge starters en kleine ondernemers, culturele activiteiten (onder andere de renovatie van het Concertgebouw). Maar Gerrit Wagner vindt dat Shell buiten de directe bedrijfsvoering om nog onvoldoende tot het grote publiek doordringt.

Shell was altijd fel tegen staatsbemoeienis in de energiesector, maar denkt daar nu iets genuanceerder over. In veel landen werkt het concern tegenwoordig met staatsbedrijven samen. Oud-topman Wagner: 'In de jaren vijftig en zestig wilden we liever niet dat staten een participatie namen in de produktie in hun eigen land. Daar moesten we erg aan wennen. 'In het geval van het Groningse aardgas heeft de regering destijds gezegd: we willen eraan meedoen. Dat waren hele zakelijke onderhandelingen, daar moet je niet al te dogmatisch over doen. Je wilt zoveel mogelijk hebben.' Shell heeft zich wel fel verzet tegen staatsdeelneming in de exploitatie van gas-en olievelden in de Noordzee, om daarmee andere olielanden niet op een idee te brengen. Maar Shell en de andere maatschappijen verloren die slag. Wagner: 'Die hele discussie is een gepasseerd station. Die andere landen weten het nu zelf wel: de meesten hebben de zaak gewoon geconfisqeerd.'

Herenakkoord

In het begin van de jaren tachtig stegen de winsten uit het Nederlandse aardgas voor de tweede maal explosief. De olieprijzen gingen, net als tijdens de eerste oliecrisis van 1973, fors omhoog. Door de koppeling van gas- en olieprijzen incasseerden de maatschappijen extra winst waarvoor ze niets hoefden te doen. In de jaren zeventig had de staat al een groter aandeel in de gasbaten bedongen, vooral voor het Groningen-gas. Ook over de aanvankelijk nog achterblijvende prijs van geexporteerd aardgas werd iets later onder leiding van diplomaat Spierenburg met succes onderhandeld.

Maar de politiek wilde meer. Gas-directeur Bemer van EZ: 'Begin jaren tachtig werd 35 dollar per barrel olie betaald en er waren zelfs scenario's van 85 dollar. Het was de vraag of je nog meer geld bij de maatschappijen moest weghalen, want de staat kreeg al gemiddeld 85 procent uit de extra gasopbrengsten en van het Groningse gas zelfs 95 procent. De reactie van de maatschappijen was: als jullie opnieuw aan onze verlies- en winstrekening gaan tornen, vragen wij ons af of Nederland wel een land is waar we onze activiteiten moeten concentreren. Minister Van Aardenne zat met een groot probleem. Het compromis werd toen dat de maatschappijen voor de extra grote winst iets terug moesten doen: het geld nuttig besteden, investeren in Nederland, het Herenakkoord. En Nederlandse firma's in staat stellen toe te leveren. Daaraan hebben ze zich keurig gehouden.' Het Herenakkoord liep eind vorig jaar af. Volgens afspraak wordt er nu een eindevaluatie gemaakt en op grond daarvan wordt bekeken hoe het nu verder moet. Op Prinsjesdag maakt minister Andriessen de evaluatie bekend. Inmiddels liggen de zaken weer heel anders. Bemer: 'In het midden van de jaren tachtig duikelde de staatsopbrengst uit het aardgas door de prijsval van olie van 23 miljard naar 8 miljard. NAM en Gasunie hebben nu een groot investeringsprogramma, tien miljard in tien jaar, in verband met de nieuwe velden op de Noordzee, het mengen van verschillende gassen en de hogere kosten om het laatste gas uit het Groningen-veld te winnen. De maatschappijen zeggen nu: we gaan zoveel extra doen, we willen de afspraken over de opbrengsten wel eens in de strijd gooien.'

Arie van der Hek heeft de soms pittige discussies in de Tweede Kamer van zeer nabij meegemaakt. Hij had zelf ook de nodige kritiek. 'Ik vond destijds dat Van Aardenne het niet goed had vastgelegd.' Een belangrijke investering heeft het akkoord naar Van der Heks mening in elk geval opgeleverd: de Flexicoker van Esso. 'Ik ben ervan overtuigd dat Esso zonder dat akkoord Nederland had verlaten en naar Antwerpen zou zijn gegaan, omdat ze hier een verouderde raffinaderij hadden. Het Hycon-project van Shell was er vrijwel zeker ook zonder het Herenakkoord gekomen. Men was niet ongevoelig voor een beetje cosmetica. Tijdens het kabinet Van Agt/Den Uyl is het staatsaandeel weer ter sprake is geweest. Denk aan de uitspraak van Den Uyl dat hij een miljard meer uit de overwinsten wilde voor zijn banenplan.' De geschiedenis van het Nederlandse aardgas is er een vol tegenstrijdigheden, blijkt uit het gedenkboek 'Ondergronds rijk, 25 jaar aardgas in Nederland'.

De NAM was vanaf de oprichting in 1947 allereerst gericht op het winnen van olie in Nederland en beschouwde gas als een bijzaak. De voormalige Shell-directeur dr. ir. L. Schepers bevestigde in 1982 die voorkeur van Shell: 'Bloemgarten, de oudste Shell-directeur in Den Haag, zei tegen mij: 'Blijf uit het gas, daar valt niets aan te verdienen. De Staat beschouwt het als een public utility, een openbare nutsvoorziening'. Ondanks die op zichzelf juiste stelling hebben Shell en Esso er heel veel geld aan verdiend.'