De oudste protestants-christelijke PABO verdwijnt; De geestvan De Klokkenberg

Morgen sluiten de deuren van de eerste protestants-christelijke Normaalschool in Nederland. 'De Klokkenberg' gaat dan als 'educatieve faculteit' op in de nieuwbouw van de Hogeschool Gelderland. Bijna 150 jaar geleden was de school inzet in de strijd over de bekostiging van het bijzonder onderwijs.

Ik moet eerlijk zijn. Mijn weemoed is een beetje misplaatst. Pas nu mijn oude pedagogische academie ten grave wordt gedragen, dringt goed tot me door hoe bijzonder De Klokkenberg was.

Als student ben ik me nooit zo bewust geweest van de rijke geschiedenis van mijn Nijmeegse school. Vaag herinner ik me het portret van de man die vanaf de muur streng neerkeek op de langharige en hoe-slordiger-hoe-beter geklede studenten die ruim honderd jaar na de oprichting 'zijn' school bezochten. Het zal vast tot me zijn doorgedrongen dat hij de oprichter was, maar zijn naam was ik vergeten; misschien heb ik hem wel nooit geweten.

Achteraf verbaast dit gebrek aan historisch besef me. Is in de drie jaar dat ik een poging deed te leren hoe ik me voor een klas lagere schoolkinderen staande kon houden dan nooit met enige trots verteld over mr. J. J. L. van der Brugghen en zijn drijfveer om 146 jaar geleden de eerste bijzondere, protestants-christelijke school van Nederland te openen, vijf jaar later gevolgd door een opleiding voor onderwijzers? Dat zou toch, naar ik mag hopen, mijn belangstelling hebben gewekt? Misschien hadden mijn medestudenten zo'n lesje geschiedenis helemaal niet nodig en was mijn onwetendheid op dit punt te wijten aan mijn katholieke achtergrond. Of waren wij studenten midden jaren zeventig meer geinteresseerd in de Duitse Rote Armee Fraktion en was het wijsheid van de docenten om niet over de schoolstrijd te beginnen?

Scheiding van kerk en staat

De president van de Nijmeegse arrondissementsrechtbank Van der Brugghen pleitte in de vorige eeuw voor een scherpe scheiding van kerk en staat. Het godsdienstonderwijs zoals dat op de openbare scholen werd gegeven, zinde hem niet. Ouders moesten zelf kunnen bepalen hoe en van wie hun kinderen les kregen. In 1839 begon Van der Brugghen te ijveren voor zijn ideaal: een bijzondere, protestants-christelijke school. De schoolwet uit 1806 vormde een obstakel: ' Geen lagere school zal ergens mogen bestaan of opgericht worden dan met uitdrukkelijke vergunning van het respectief Departementaal, Landschaps- of Gemeentebestuur'. Maar Van der Brugghen was jurist, invloedrijk en had doorzettingsvermogen. De wet bood een opening. Meerdere malen probeerde hij toestemming van de provincie te krijgen, en uiteindelijk lukte het. Op 6 september 1844 kon Van der Brugghen voor 116 kinderen de deuren openen van de eerste bijzondere school in Nederland. De leerkrachten van nu zou het een gruwel zijn, maar die kinderen waren verdeeld over slechts twee klassen.

Om de lagere school te voorzien van 'eigen' onderwijzers begon Van der Brugghen ook te experimenteren met wat toen een Normaalschool heette. In 1846 had hij zes kwekelingen. Drie jaar later, op 1 oktober 1849, ging de eerste christelijke Normaalschool van Nederland officieel van start in een herenhuis 'op dezer stads Klokkenberg', zoals de oprichter zelf schreef in het Nijmeegsch Schoolblad. Daarmee was de naam van de school geboren.

Met zijn ideeen over christelijk onderwijs lag Van der Brugghen in de clinch met de anti-revolutionair Groen van Prinsterer, hoewel deze de Nijmegenaar aanvankelijk zag als zijn vriend en geloofsgenoot. Groen vond bijzondere scholen die door de ouders zelf moesten worden gefinancierd elitair. Grote groepen protestantse ouders konden dat volgens hem niet betalen, zodat zij genoodzaakt zouden zijn hun kinderen naar de openbare school te blijven sturen. Groen pleitte daarom voor het opsplitsen van de (gemengde) openbare scholen in onderdelen voor de verschillende godsdiensten. De staat moest die scholen volledig blijven financieren.

Breedsprakigheid

De ruzie tussen de twee liep hoog op in de jaren (1856-1858) dat Van der Brugghen als minister van Justitie, in het kabinet dat zijn naam droeg, werkte aan een wet op het lager onderwijs. Voordat hij zijn wetsvoorstel indiende, wilde de minister er zeker van zijn dat hij de steun zou krijgen van Groen en ging bij hem op bezoek op diens buiten in Oud-Wassenaar. Groen zei later over dat onderhoud: ' Onder nevelachtige breedsprakigheid gelukte het mij zelfs in anderhalf uur niet, omtrent voornemen en gedragslijn iets hoegenaamd te ontdekken'.

Van der Brugghen had het gesprek anders ervaren. Hij dacht op de medewerking van Groen te kunnen rekenen.

Bij de behandeling in de Tweede Kamer bleek zijn misrekening. De wet die voorzag in een gedeeltelijke bekostiging door de staat van bijzondere scholen en een openbare school die nog steeds moest opleiden 'tot alle christelijke en maatschappelijke deugden' redde het niet in de Tweede Kamer. Groen haalde tijdens het debat flink uit naar Van der Brugghen: ' Ik heb onlangs de minister van Justitie genoemd mijn voormaligen en toekomstigen vriend. Het is goed, geloof ik, dat de naam van vriend thans in deze Kamer niet meer gebruikt worde. Ook hem zal ik niet verwonderen, wanneer ik zeg, dat door de handelswijs, waartoe hij zich verplicht heeft gerekend, hij aan mij en aan mijne vrienden, zonder het te willen, bittere smart heeft veroorzaakt.' Later pleitte ook Groen van Prinsterer voor bijzondere scholen. Voor Van der Brugghen was het toen te laat.

De meningsverschillen tussen Van der Brugghen en Groen waren niet alleen van politieke aard. De sfeer die Van der Brugghen op zijn eigen Klokkenberg had weten te creeren onderscheidde zich van die op de christelijke scholen die in het verdere verloop van de schoolstrijd ontstonden. De meeste hiervan volgden de opvattingen van Groen van Prinsterer over christelijk onderwijs.

Geestelijke anarchie

Prof. dr. G. C. van Niftrik beschrijft dat in 'Van der Brugghen en Groen van Prinsterer' (1964). ' Terwijl dan op vele christelijke scholen in Nederland de balans doorslaat naar de kant van het objectieve: de zuiverheid der leer, de erkenning van de drie formulieren van enigheid, de H. Schrift, de gerefomeerde beginselen, of wat er meer aan objectiviteiten te noemen valt, slaat de balans op De Klokkenberg nog steeds door naar de andere kant: de kant van het subjectieve, de persoonlijkheid van de onderwijzer, de innerlijke gegrepenheid en overtuiging, het persoonlijk getuigenis... Terwijl Groen tendeert in de richting van de geestelijke dictatuur, tendeert De Klokkenberg in de richting van geestelijke anarchie.' Ik heb het al bekend, ik verdiep me er nu pas in, maar in Niftriks omschrijving herken ik de sfeer van mijn oude school. Drie jaar lang was het een gezellige chaos, waar ik me soms aan ergerde uit behoefte aan enig houvast. Vol trots werd die prettige gestoordheid 'de geest van De Klokkenberg' genoemd. Van der Brugghen moest niets hebben van het traditionele 'uit-het-hoofd-leren' dat hij 'papegaaijenwerk' noemde. Het is me op De Klokkenberg nooit met zoveel woorden verteld, maar wel bijgebracht. ' De mensch moet geen draaiorgel wezen, dat, door den kruk bewogen alles speelt wat men op zijnen trommel gezet heeft; maar een levend en zelfstandig wezen, dat de toonkunst gebruikt om melodieen te doen hooren die het zelf in zijn binnenste heeft voortgebragt, en die het wil scheppen', meende Van der Brugghen. Mijn pedagogen praatten over 'uitgaan van het kind', 'zelfredzaamheid' en 'ontplooiingsmogelijkheden'. Ze vonden zichzelf erg bij de tijd. Maar Van der Brugghen was ze voor.

Morgen gaat 'zijn' Klokkenberg voor onderwijzers definitief op in de Hogeschool Gelderland. Alleen zijn portret, het bordje De Klokkenberg en de Romeinse put die werd gevonden op de plaats waar de pedagogische academie de laatste 26 jaar heeft gestaan, gaan mee tijdens de 'ludieke verhuizing'. Of de 'geest van De Klokkenberg' kan worden overgeplant naar een moderne onderwijsfabriek waar alles is gericht op efficiency, gelegen in een stadswijk zonder historie; ik weet het niet. De woorden in de reuniebundel van de nieuwe directeur A. Frik (sic) klinken in mijn oren niet veelbelovend: ' Natuurlijk, de estheten, de sporters en de 'vrije vogels' zullen ongetwijfeld wat minder aan hun trekken komen'.