Schaken

De schaakhistoricus Edward Winter heeft zich een vijand gekozen die hij met grote hardnekkigheid achtervolgt. Zijn slachtoffer is de Engelse grootmeester, journalist en organisator Raymond Keene. Ieder boek dat Keene schreef werd in Winters tijdschrift Chess Notes voor waardeloze rommel uitgemaakt. Helemaal ongelijk had Winter niet. Vroeger was Keene een schrijver, nu is hij een boekenfabrikant. Wat verbazing wekte was de verbetenheid waarmee Winter jacht maakte niet alleen op Keene, maar ook op diens vrouw, zwagers, vrienden en zakelijke partners. Eind vorig jaar verscheen een boek van Winter zelf. Wat zou Keene er van zeggen, zou hij de kans waarnemen om na vele jaren van vernederingen nu eindelijk terug te slaan? Ik dacht dat Keene er het zwijgen toe zou doen, maar ik had hem onderschat. Hij schreef prompt een bijzonder vriendelijke en lovende recensie. Een belangrijke aanwinst voor de schaakliteratuur. Warm aanbevolen.

De kus des doods. Wat moet je doen als iemand je verschrikkelijk beledigd heeft? Prijs hem minzaam, zo peper je hem duidelijk in dat je zijn meerdere bent.

Het boek van Winter heet: Capablanca, A Compendium of Games, Notes, Articles, Correspondence, Illustrations, and Other Rare Archival Materials on the Cuban Chess Genius Jose Raul Capablanca, 1888-1942. Het is een boek van het soort waarover bij verschijning al wordt gezegd dat het helaas alleen door een kleine groep fijnproevers gelezen zal worden. Niet alleen door de prijs, fl.115. Er zijn maar weinig lezers die behoefte hebben aan een zo nauwkeurige boekstaving van een schakersleven. Een monument van ijver en eruditie is dit boek zeker. Waar Capablanca ooit maar een stap gezet heeft, Winter zoekt in de archieven of de plaatselijke krant er misschien een paar regels aan heeft gewijd.

In de oude tijd toen er nog geen wereldschaakbond was, moest een match om het wereldkampioenschap door de spelers zelf worden georganiseerd. Geen wereldkampioen gaf zijn titel makkelijk uit handen en de uitdager werden altijd allerlei obstakels in de weg gelegd. Het leidde tot jarenlang slepende kribbige correspondenties, die hier in hun geheel zijn afgedrukt. Meer dan dertig pagina's alleen al over de revanchematch met Aljechin, die nooit tot stand is gekomen. Het is goed dat het allemaal verzameld en vastgelegd is. Om te lezen is het eerlijk gezegd nogal vervelend. Dit bronnenboek is vooral bestemd voor collega-historici.

Er is natuurlijk toch veel interessants te vinden. Wat me opviel was dat Capablanca, die altijd als een elegante luilak wordt beschouwd, in zijn leven toch veel werk heeft verzet. Ontelbare simultaanseances en lezingen. Veel lange artikelen in kranten en tijdschriften, hoewel Capablanca een hekel aan schrijven had. In New York 1927 schreef hij toernooiverslagen die bijna de hele voorpagina van de New York Times in beslag moeten hebben genomen. Veel van de krantestukken van Capablanca begonnen op dezelfde manier. 'Een vraag die mij vaak gesteld wordt is: wat zijn de kenmerkende eigenschappen van een schaakkampioen?' Mooi is de brief die Capablanca in 1925 aan zijn zoon schreef. Die was toen drie jaar en het was de bedoeling dat hij de brief op zijn 21ste verjaardag zou lezen. Lieg nooit tegen je moeder. Je vader heeft de reputatie van een eerlijk man. Volg hem hierin na. Leer boksen, niet om veel te vechten, maar om het te kunnen als het moet. Lees veel, er is niets amusanters dan boeken. Het is noodzakelijk om de mensheid van enig nut te zijn. Vermijd kaarten, alcohol en roken. Wees een eerlijk en goed man.

Capablanca was iemand met een groot zelfvertrouwen en zonder valse bescheidenheid. Sommige mensen noemden hem een opschepper, maar die vergisten zich. Een paar keer schrijft Capablanca dat zijn kracht sinds 1917, vier jaar voordat hij wereldkampioen werd, voortdurend was achteruit gegaan. Hij schrijft ook dat hij eigenlijk niet genoeg van het schaken hield. Het is een bekend geluid van de vooroorlogse wereldkampioenen. Eigenlijk zouden ze liever iets anders doen dan schaken. Ze kwamen toch altijd weer bij het schaken terug. Capablanca stierf in 1942 aan een hartaanval die hem trof op de Manhattan Chess Club.

De volgende partij ilustreert een curieus hoofdstuk uit de schaakgeschiedenis. De Amerikaanse industrieel Isaac Leopold Rice had een variant van het koningsgambiet ontdekt waar hij zeer trots op was. Twintig jaar lang betaalde hij de wereldkampioen en andere topspelers om zijn gambiet in matches, toernooien en theoretische publikaties te onderzoeken. Er ontstond een rijke literatuur over het Ricegambiet. In 1915 stierf Rice. Geen geld, geen Ricegambiet. Geen schaker keek meer naar zijn variant om.

Wit Capablanca-zwart Chajes, Grommer en Marder (New York 1913)1. e2-e4 e7-e5 2. f2-f4 e5xf4 3. Pg1-f3 g7-g5 4. h2-h4 g5-g4 5. Pf3-e5Pg8-f6 6. Lf1-c4 d7-d5 7. e4xd5 Lf8-d6 8. 0-0 Ld6xe5 9. Tf1-e1

Zie diagram

De uitgangstelling van het Ricegambiet. Capablanca zou dit waarschijnlijk heel wat liever met zwart hebben gespeeld. 9... Dd8-e7 10. c2-c3 Pf6-h5 11. d2-d4 Pb8-d7 12. Dd1xg4 De moderne boeken citeren een gezamenlijke analyse van Capablanca, Burn en Edward Lasker, waaruit zou blijken dat wit met 12. dxe5 gelijk spel kan bereiken. 12... Pd7-f6 13. Dg4-e2 Pf6-g4 14. De2xe5 Pg4xe5 15. Te1xe5 Th8-g8 16. Te5xe7+ Ke8xe7 17. Kg1-f2 Lc8-f5 18. Lc4-e2 Lf5-g4 19. Le2-d3 Tg8-g7 20. Pb1-d2 Ta8-g8 21. b2-b3 Lg4-d7 22. Lc1-a3+ Ke7-d8 23. Ta1-g1 Ph5-f6 24. Ld3-e4 Ld7-h3 25. Le4-f3 Pf6-g4+ 26. Kf2-e2 Pg4-e3 27. g2-g3 Pe3-f5 28. d5-d6 Tg7xg3 29. d6xc7+ Kd8xc7 Wit gaf op.