DE WERELDWIJDE JACHT OP RAMBO RUSHDIE

Meer dan honderd bioscopen in Pakistan vertonen sinds een paar maanden de film Internationale Guerrillastrijders die ongekende aantallen toeschouwers trekt. Bij de ingang van de Shabestan-bioscoop in de stad Lahore moesten politiemannen zelfs van hun knuppels gebruik maken om aspirant-bezoekers, die boos waren geworden omdat zij geen entreekaartje op de zwarte markt konden bemachtigen, tot rustiger gedrag te manen.

De drie uur durende film, een thriller die in het Punjabi werd vervaardigd, verhaalt de epische strijd van goede en moedige moslims tegen de afvallige schrijver Salman Rushdie, auteur van het geruchtmakende boek The Satanic Verses. In de film is Rushdie echter niet zozeer een schrijver als wel een Rambo-figuur, en nog wel een jood. Hij is het hoofd van een machtige, internationale misdadigersbende die zich ten doel stelt de islam te vernietigen. Het verhaal loopt goed af: want vier Pakistaanse guerrillastrijders onder leiding van een voormalige politiecommandant en een vrouwelijke sergeant vervolgen Rushdie naar zijn schuilplaats op een tropisch eiland. Na een vervaarlijk gevecht met automatische wapens en een zwaard smeken zij Rushdie dat hij vergiffenis vraagt voor zijn godslasterlijke uitspraken. Als de hardnekkige booswicht weigert, wordt hij door een lichtgevende bliksem uit de heilige Koran getroffen en door het vuur verteerd. God heeft recht gedaan, zodat de bezoekers gesticht en voldaan naar huis gaan.

Deze week zijn vanuit de Labour Party stemmen op gegaan om de vertoning van de film te verbieden, omdat hij de verhoudingen tussen blanken en niet-blanken zou verstoren. Een woordvoerdster van het Salman Rushdie Defence Committee stelde echter dat vertoning van de bloeddorstige film weliswaar het leven van de schrijver in gevaar kan brengen, maar dat een verbod alleen te rechtvaardigen is als de film op de een of andere wijze de Engelse wet overtreedt. Vooralsnog heeft de filmkeuring geen uitspraak gedaan over wel of niet vertonen.

Het kassucces van Internationale Guerrillastrijders toont indirect aan hoezeer in Pakistan het islamitische fundamentalisme in opmars is. Sinds 12 jaar geleden de oorlog tegen de ongelovigen in het naburige Afghanistan op gang kwam, is Pakistan een van de belangrijkste bases geworden voor moslim-radicalen, afkomstig uit een twintigtal islamitische landen in de Arabische wereld en Afrika, maar ook uit de Filippijnen, Indonesie en Kashmir. Vroeger hadden de moslim-radicalen in Pakistan betrekkelijk weinig politieke invloed, nu worden zij van maand tot maand belangrijker. Zo belangrijk, dat de in het Westen opgegroeide premier Benazir Bhutto - geheel tegen haar overtuiging in - waarschijnlijk akkoord zal moeten gaan met de introductie van strikt islamitische en daarmee gepaard gaande vrouw-onvriendelijke wetten conform de shari'a, de islamitische wetgeving.

Pakistan is in deze geen geisoleerd geval. Bijna alle moslim-landen en -maatschappijen hebben te maken met de opkomst en de groei van islamitisch radicalisme. Elke islamitische samenleving heeft daarvoor haar eigen redenen, al is er ongetwijfeld sprake van een wereldwijde, cyclische (misschien zelfs wel modieus te noemen) trend die minder nieuw is dan men denkt. In de geschiedenis van de islam kwam het wel vaker voor dat nu eens een wat gematigder dan weer een wat radicalere stroming meer gehoor en aanhang vond. De Rushdie-affaire stelde de Britse arabist en freelance journalist Malise Ruthven in de gelegenheid om de emoties van de moslims in Groot-Brittannie nader te onderzoeken. Ruthven behoort tot die categorie mensen die - evenals Rushdie - skeptisch staan tegenover de mythologische aspecten van godsdiensten en er tegelijkertijd voortdurend door gefascineerd worden. Dat maakt hem automatisch tot een bewonderaar van Rushdie's ideeen, zijn moed en zijn schrijversschap. Tegelijkertijd verwondert hij zich keer op keer erover dat Rushdie zo slecht heeft aangevoeld hoeveel woede zijn roman zou opwekken, die wel degelijk bedoeld was als een aanval op al hetgeen heilig is - en dus onbespreekbaar - voor de door hem zo gehate fundamentalisten.

Ruthvens vraagstelling: wat precies maakt(e) de Britse moslims zo boos op Rushdie en op zijn roman De Duivelsverzen en wat deden zij met hun woede? De neerslag van dat onderzoek heeft hij neergelegd in een wat moeizaam geschreven boek, waarin hij niet alleen zijn grote belezenheid en zijn kennnis van de islam tentoonspreidt, maar eveneens zijn irritatie dat Rushdie hem geen interview had toegestaan. Tegelijkertijd levert Ruthven echter zoveel historisch en contemporain feitenmateriaal dat zijn naspeuringen het meeste weg hebben van een ongeorganiseerd naslagwerk.

POLITIEKE VOETBALNog voordat Rushdie's laatste roman op de markt verscheen, was hij al een 'politieke voetbal' geworden nadat de schrijver met uitdagende interviews aan Indiase bladen de aandacht van zijn vijanden op zijn werk had gericht. Aanvankelijk beperkte de strijd zich tot India en Pakistan. Ruthven laat in het midden in hoeverre deze Indiase en Pakistaanse strijders tegen De Duivelsverzen werkelijk in hun religieuze gevoelens waren gekrenkt of alleen maar punten wilden scoren in de binnenlandse politiek. Hij vertelt wel, zonder enig waarde-oordeel, dat het Indiase parlementslid Syed Shahabuddin, een van de eerste en felste bestrijders van De Duivelsverzen, openlijk toegaf dat hij het boek nimmer had gelezen met de uitleg: 'Ik hoef niet door een riool te lopen om te weten wat vuiligheid is'.

Toen Rushdie's boek in India en Pakistan door de regeringen verboden werd verklaard, verplaatste de strijd zich naar Groot-Brittannie. Daar werd de strijd in het geheim geleid door de twee belangrijkste islamitische concurrenten - Saoedi-Arabie en Iran. Deze twee moslim-staten, vertegenwoordigers van twee uiteenlopende moslim-scholen, beoorlogen elkaar in de hele wereld - zowel openlijk als in het geniep - om hun eigen, zalig makende uitleg van de islam uit te dragen. In diverse landen, onder andere in Pakistan en Engeland, doen zij dat met behulp van de Jamaatis, moslim-groeperingen die hun specifieke opvattingen over de islam verspreiden om daarmee hun ideologische en politieke invloed en die van hun subsidiegevers te vergroten. In andere landen, zoals in Afghanistan, gaan zij op een directere manier te werk: met behulp van gewapende groeperingen die elkaar zo zoveel mogelijk naar het leven staan. Bijna overal staan de Jamaatis er borg voor dat religie en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het is dan ook geen toeval dat wijlen imam Khomeiny in een door Radio Teheran voorgelezen verklaring verkondigde dat de crisis tussen de Islamitische Republiek Iran en West-Europa over de Rushdie-affaire 'een godsgeschenk' was, dat Iran bevrijd had van 'een naieve buitenlandse politiek' om toenadering tot het Westen te zoeken. Hoe giftig datzelfde godsgeschenk is laat de Iraanse president Rafsanjani keer op keer blijken als hij concessies inzake de Rushdie-zaak probeert te doen om de financieel-economische relaties met het Westen te verbeteren.

DOMINANTE POSITIE Ruthven omschrijft de islam als een godsdienst 'die geprogrammeerd is voor de overwinning'. Want in het historische bewustzijn van de moslims slaagde de Profeet Mohammed er in om in slechts enkele decennia een wereldrijk te stichten. Dat imperium brokkelde echter in de loop der eeuwen af en werd, mede door toedoen van de christelijke imperia, in een tweederangspositie gedrukt.

Daardoor kreeg de dominante positie waarop de islam als vanzelfsprekend aanspraak maakt, steeds minder relatie met de werkelijkheid. Ruthven stelt dan ook dat de woede van de moslimwereld, waarover in de media zoveel bericht wordt, niet zozeer 'de schreeuw is van de onderdrukten' van Karl Marx, maar de pijn weergeeft van de frustratie over zo veel feitelijke onmacht, terwijl men recht meent te hebben op zo veel macht.

Die frustratie is bij de in het Westen wonende moslims even duidelijk merkbaar. Hun woede en hun eisen tot genoegdoening naar aanleiding van de Rushdie-affaire zijn het duidelijkste bewijs ervoor dat een tweede generatie moslims in het Westen uitdrukking geeft aan haar emancipatiestreven. Dertig jaar geleden zou geen moslim erover hebben gepiekerd om in in het niet-islamitische, Westeuropese land waar hij woonde voor een mede-moslim de doodstraf te eisen wegens diens geloofsafval. Juridisch zou dat ook heel raar zijn geweest. Weliswaar zijn de islamitische wetsgeleerden het erover eens dat geloofsafval en godslastering met de dood bestraft dienen te worden. Maar het is ongebruikelijk die wetten daadwerkelijk toe te passen in moslim-landen, laat staan in landen die niet onder islamitische heerschappij staan. EER Zeer veel in het Westen woonachtige moslims voelden zich door Rushdie's boek in het diepst van hun hart gekrenkt. De Duivelsverzen zijn immers, hoe literair ook van karakter, een tweevoudige uitdaging aan de Almachtige. Het door Rushdie gebruikte verhaal - dat overigens volgens diverse zeer vrome moslim-historici wel degelijk heeft plaats gevonden - kan de gelovige aan het twijfelen brengen en daarmee de absolute autoriteit van de Koran aantasten. De Profeet bleek zich namelijk aanvankelijk 'vergist' te hebben toen hij enkele Koranverzen verkondigde die - naar later bleek - hem niet door de aartsengel Gabriel (namens God) maar door Satan waren ingefluisterd. Deze verzen, die de drie belangrijkste vrouwelijke godinnen van Mekka erkenden, stelden de Mekkaanse bevolking in staat de nieuwe godsdienst van de islam te omhelzen. De episode kan bovendien worden gebruikt - en Rushdie deed dat met volle overgave - om de integriteit van de Profeet in twijfel te trekken. Had Hij zich misschien toch uit opportunisme 'vergist' om de Mekkanen aan zich en zijn godsdienst te binden? Als ware dat niet genoeg, gaf Rushdie zijn fictieve Profeet de middeleeuws-christelijke scheldnaam Mahound en noemde hij de hoeren in een bordeel naar de twaalf zeer vereerde vrouwen van de Profeet. De naam Mahound stond voor de Europese christenen gelijk met 'valse profeet' - een uitermate slecht mens die afgoderij predikte en dan ook volgens een vroeg-christelijke chroniqueur in volstrekt laveloze toestand door varkens werd opgevreten.

Met deze naamgeverij provoceerde Rushdie natuurlijk willens en wetens de gelovige moslims. De Profeet is weliswaar in de islam geen God en hij mag zeker niet op dezelfde manier worden vereerd als Jezus Christus door de christenen - reden waarom moderne moslims er ernstig bezwaar tegen maken als men hen 'mohammedanen' noemt. Maar in de literaire en mystieke traditie van de islam wordt de Profeet wel degelijk gezien als een bijna-godheid, met name door de moslims op het Indische subcontinent en in Iran.

Zij spreken geen Arabisch, de taal van de heilige Koran. Voor hen is de Koran dan ook even ontoegankelijk als onbegrijpelijk, en daarom misschien nog een veel heiliger werk dan voor de moslim-Arabieren die zelf toch ook al de Profeet op alle mogelijke manieren vereren. Zo wordt er van Mohammed gezegd dat hij een prachtige man was met geen enkel schoonheidsfoutje. Hij zou reeds besneden ter wereld zijn gekomen. Zijn excrementen werden meteen door de aarde verzwolgen. Door alleen maar Zijn hemd aan te raken werd een jodin van haar blindheid genezen. Et cetera, et cetera.

GROEPSEER Gelovige moslims hebben dus reden genoeg om zich door De Duivelsverzen beledigd te voelen. Dat geldt eens temeer voor de moslims van Indo-Pakistaanse afkomst. Volgens Ruthven omdat Rushdie hen in hun izzat, hun groepseer, heeft gekwetst. Het feit dat Rushdie 'een van ons' was en dus zijn eigen mensen had verraden, maakte de zaak alleen nog maar erger. Izzat speelt in Ruthvens analyse een zo grote rol omdat het merendeel van de Britse moslims uit een aantal veraf gelegen dorpjes in Pakistan afkomstig is. Ook hun imams, de voorgangers in het gebed, komen nog steeds rechtstreeks uit die dorpjes. Dat versterkt de banden van de imigranten met hun vroegere woonsteden en de eigen cultuur, maar bemoeilijkt in evenredige mate hun aanpassing en hun integratie in Engeland. De imams zijn namelijk veelal helemaal niet op de hoogte van de Britse zeden en gebruiken, sterker nog: zij spreken vaak geen of nauwelijks Engels.

Op het Pakistaanse platteland is de eer van de familie van alles overheersend belang (waarbij onder het begrip familie uiteraard ook de achterneven en de oudtantes vallen). Daar - en dus ook bij de Britse moslims uit Pakistan - berust de izzat van de familie vooral bij haar vrouwen. Wie de regels overtreedt, brengt daarmee niet alleen schande over zichzelf maar over de gehele familie. De regels zijn zo belangrijk omdat zij de scheidslijn bepalen van eer en schaamte, van reinheid en bezoedeling.

Wat de Britse moslims in Rushdie's roman zo trof, was dat de Profeet en Zijn vrouwen niet met de vereiste eerbied werden behandeld. Zij reageerden, zoals zij dat van huis uit gewend waren. Rushdie had met de aanval op de Profeet en Zijn vrouwen meteen ook hun groepseer aangetast en daarmee de izzat gekrenkt van alle moslims - een daad die hoe dan ook moest worden gewroken. Dat gevoel, zelfs van niet zulke vrome moslims, werd nog versterkt door de discriminatie waaraan deze gekleurde immigranten in Groot-Brittannie bloot staan.

BESCHERMING In het vroegere Brits-Indie zorgde de koloniale overheid vanuit haar Europese superioriteitsidee voor de bescherming van de moslim-minderheid en haar gevoelens. Boeken die 'aanstoot gaven' aan de moslims werden dan ook zonder mankeren verboden. In 1947/48 brak deze vanzelfsprekende orde in chaos en grootscheeps bloedvergieten uiteen toen de Britten zich uit hun kolonie terugtrokken. De huidige Indiase regering doet haar uiterste best om het Britse voorbeeld van vroeger te volgen teneinde de wankele godsdienstvrede binnenslands in godsnaam te bewaren. Nu eisten de immigranten uit het vroegere Brits-Indie precies eenzelfde zorg. De Britse regering diende een verbod op De Duivelsverzen uit te vaardigen. De imams, die in meerderheid geen idee hebben van de Britse werkelijkheid en ook geen notie van het Britse recht, stookten de gemeenschap verder op. Waarom kon de regering het boek niet verbieden krachtens de wet op de heiligschennis (die in het christelijke Groot-Brittannie) niet op een vreemde god of op een vreemde profeet van toepassing is? Rushdie's reactie op Khomeiny's doodvonnis over hem en de uitgevers van zijn boek was: 'De roman is geen aanval op de islam of welke andere religie ook, maar een poging om vooropgezette ideeen uit te dagen en het conflict te onderzoeken tussen het seculiere en het godsdienstige wereldbeeld. Het is ironisch genoeg precies dat conflict dat nu het boek verslindt.'

Dat moge waar zijn. Maar Rushdie had kunnen weten - zijn kennis van de islamitische geschiedenis is daarvoor te groot - dat de islam en zijn aanhangers het minst van alles spot en onzekerheid kunnen dulden, omdat die combinatie de trefzekerste ondermijning van het absolute geloven is. Rushdie was echter de laatste die met die wetenschap iets kon doen omdat hij zich in zijn strijd tegen de door hem zo verfoeide moslim-fundamentalisten opwierp als een 'seculiere fundamentalist'. Rushdie is van zijn absolute gelijk en zijn onvervreemdbare rechten even overtuigd als zijn vijanden van de hunne - hij eist volledige vrijheid voor de schrijvend kunstenaar en hij vindt elk compromis (bijvoorbeeld het niet uitgeven van de Duivelsverzen in goedkoop pocketformaat) onduldbaar.

Rushdie's aanhanger Malise Ruthven geeft, ondanks zijn lichte kritiek op de grote meester, aan waarom - in weerwil van alle goede bedoelingen van alle goede mensen - de kloof onoverbrugbaar is tussen de gelovigen en zij die niet of onvoldoende geloven. De handleiding van de Union of Muslim Organisations in Groot-Brittannie voor de leraren van islamitische kinderen is, wat dat betreft, zeer illustratief. In die handleiding wordt uitgelegd waarom moslim-leerlingen in Groot-Brittannie ook over andere godsdiensten en ideologieen iets zouden moeten leren: 'Daar leerlingen in die fase beseffen hoe superieur de islam is aan alle andere godsdiensten en ideologieen, en dat hij (de islam) zowel de meest liberale als de meest alomvattende manier van leven is, zou men hun (de leerlingen) moeten toestaan om de islam te vergelijken met andere godsdienstvormen en alle nieuwe ideologieen, in het bijzonder humanisme en marxisme.'

Ruthven vermeldt niet het Islamitische Handvest, dat eind vorig jaar in de Britse moskeeen door de gelovigen werd aangenomen. Krachtens dat document dient de Britse regering de wet op de heiligschennis, die in het christelijke Groot-Brittannie uitsluitend aan de christelijke godsdienst bescherming biedt, ook van toepassing te verklaren op de islam 'omdat wij hier in dit land een zeer grote minderheid vormen'.

Tevens eist het handvest het recht op voor de moslims om aparte, door de staat gesubsidieerde moslim-scholen op te richten. Ten slotte dient het islamitische familierecht erkend te worden. Voorlopig is er geen sprake van dat deze eisen worden ingewilligd. De Rushdie-affaire heeft in tegendeel de positie van de moslims in Groot-Brittannie ernstige schade toegebracht. Weliswaar achtte de Britse overheid het, in navolging van andere Westeuropese regeringen, niet raadzaam om een juridische vervolging te beginnen tegen ingezetenen die tijdens demonstraties openlijk tot moord opriepen. Maar de relaties tussen moslims en niet-moslims verslechterden door dit soort publieke uitbarstingen in razend snel tempo, met als treurig gevolg dat het reeds aanwezige racisme door de affaire aanzienlijke steun kreeg.