Revolutie Midden-Amerika maakt plaats voor restauratie

Het wordt zo langzaamaan een bekend verschijnsel Middenamerikaanse revolutionairen die vredesoverleg voeren met afgevaardigden van de regeringen die zij eigenlijk met hulp van 'de massa's' omver hadden willen werpen. De eisen van de guerrilleros worden gaandeweg beperkter: een hervorming hier of daar van de grondwet, het verkleinen van het leger, dat in toekomstige vredestijden toch al zou afslanken, en het opdoeken van al te corrupte of gewelddadige instellingen. Eind vorige week was het weer zover in het fraaie El Escorial nabij Madrid. Daar sloot de kleine maar taaie guerrillabeweging URNG van Guatemala na een half mensenleven van strijd een akkoord met de leiders van de negen voornaamste politieke partijen van dat land. De rebellen beloofden hun sabotageacties te staken en de algemene verkiezingen in november aanstaande niet te verstoren. In ruil mogen zij volgend jaar meehelpen bij het herzien van de grondwet en zullen de impopulaire paramilitaire verdedigingstroepen op het land worden opgeheven.

Regeringsafgevaardigden van El Salvador en Nicaragua belegden de afgelopen weken soortgelijke ontmoetingen met 'hun' rebellen. Dat duidt allemaal op een ding, namelijk dat de revolutie in Midden-Amerika in rap tempo plaatsmaakt voor restauratie.

Rechts

Tien jaar geleden leek de opmars van de revolutionairen in dit armzalige en verknipte deel van de wereld nog onstuitbaar. In Nicaragua zaten toen de triomfantelijke sandinisten hoog te paard. In het naburige El Salvador maakte het Nationale Bevrijdingsfront Farabundo Marti (FMLN) zich op om de feodale orde een doodsteek te geven, terwijl linkse guerrillastrijders in Guatemala grote delen van de westelijke hooglanden controleerden. Maar na een gruwelijk decennium van geweld en stagnatie rekent de modale Middenamerikaan vandaag de dag voor het herstel van vrede en economische groei blijkbaar op rechts.

Dus hebben de conservatieve sectoren, die destijds van de politieke landkaart dreigden te worden weggevaagd, hun oude superioriteit herwonnen. Net zoals de Bourbons de vorige eeuw de troon weer bestegen na enkele tientallen jaren van Franse revolutie. Vorig jaar maart brachten de Salvadoranen tijdens redelijk vrije verkiezingen het rechtse Arena-bewind van president Alfredo Cristiani aan de macht. Eind vorig jaar won de conservatieve nationalist Rafael Callejas in Honduras de presidentsverkiezingen en op 4 februari jongstleden volgde in Costa Rica de behoudende christen-socialist Rafael Calderon dat voorbeeld. Drie weken later liet de anti-sandinistische Violeta Chamorro in Nicaragua Daniel Ortega op verrassende wijze in het zand bijten. En in het vijfde Middenamerikaanse land Guatemala maken rechtse kandidaten bij de presidentsverkiezingen van november de meeste kans om de gematigde christen-democraat Vinicio Cerezo op te volgen. De opiniepeilers daar geven Jorge Carpio van de conservatieve Unie van het nationale centrum 21 procent, de ex-dictator en generaal Rios Montt 19 procent en de christen-democraat Alfonso Cabrera slechts 4 procent. De links-revolutionaire opleving in Midden-Amerika was destijds een gevolg van de legitimiteitscrisis waarin het merendeel van de ondemocratische, archaische en sociaal ongevoelige regimes waren beland (Costa Rica vormde de grote uitzondering). Beheerst door moorddadige militaire, corrupte functionarissen of wereldvreemde familiedynastieen onderdrukten deze regeringen de eisen van opkomende maatschappelijke sectoren studenten, vakbonden en middenklasse-groeperingen.

Opvallend genoeg was de opkomst van deze 'nieuwe sectoren' vooral het gevolg van een periode van ongekende economische groei. Van 1950 tot 1979 nam het regionale bruto produkt met gemiddeld 6 procent per jaar toe. De verdeling van de groeiende welvaart bleef echter extreem ongelijk en dat betekende olie op het vuur van de revolutie. Gruwelijk waren vervolgens de jaren tachtig, waarin ongeveer 175.000 Middenamerikanen werden afgeslacht en er nog eens twee miljoen op de vlucht sloegen, van wie de helft voor een permanent verblijf in de Verenigde Staten. In landen als Nicaragua en El Salvador, waar de troebelen het hoogst oplaaiden, werd het levenspeil teruggedreven naar dat van de jaren vijftig. En in de overige landen bleef de economische groei door de regionale turbulentie en het wegvallen van de onderlinge handel achter bij de bevolkingsgroei. Globaal nam het Middenamerikaanse bruto nationaal produkt in de jaren tachtig met 15 procent af.

Falen

Het falen van links bij het veroveren of behouden (Nicaragua) van de macht had vele oorzaken. In El Salvador en Guatemala joegen militairen en doodseskaders in het begin van de jaren tachtig tienduizenden echte of vermeende revolutionairen over de kling. Het Salvadoraanse regeringsleger, belaagd door de sterkste guerrillabeweging van het continent, werd met Amerikaanse hulp in snel tempo uitgebreid en gemoderniseerd. Het beter georganiseerde Guatemalteekse leger hield Amerikaanse militaire hulp juist af om, ongehinderd door de Amerikaanse publieke opinie of het Congres, een ongekende terreurcampagne te voeren tegen de Indiaanse landsbevolking. In het revolutionaire Nicaragua gingen radicale experimenten steeds meer lijden onder het bestuurlijke onvermogen van de sandinisten en de sabotage-oorlog van de door Washington bewapende contra-rebellen. Murw geslagen door chronisch geweld maakte het revolutionaire elan van Middenamerikanen steeds meer plaats voor oorlogsmoeheid. En naarmate de verpaupering toenam, verminderde de aantrekkingskracht van radicale politieke programma's.

Bovendien beroofden de omwentelingen in het (voormalige) Oostblok en de afkalvende reputatie van Fidel Castro de Middenamerikaanse revolutionairen van belangrijke hulp- en inspiratiebronnen. 'Er bestaat op dit moment geen enkele mogelijkheid om revolutie te maken in de regio', erkende de sandinistische kolonel en ex-guerrillastrijder Manuel Salvatierra toen hij eind april het inhuldigingsfeest van president Violeta Chamorro bijwoonde. 'Overal breekt vrede uit', beaamde toen een Latijns-Amerikaanse diplomaat.

Inderdaad lijken oplossingen voor oude conflicten nu binnen bereik. Het Salvadoraanse FMLN en een afvaardiging van de regering-Cristiani beloofden elkaar vorige maand in Caracas om voor half september aanstaande tot een bestand en een vredesakkoord te komen. Een belofte die perspectief krijgt nu het linkse verzet een steeds realistischer toon aanslaat en de Salvadoraanse regering onder Amerikaanse druk staat om meer water in de wijn te doen. Nadat de contra-leiding in Nicaragua de afgelopen weken verscheidene, met de regering-Chamorro beklonken ontwapeningsakkoorden schond, leveren nu gemiddeld 250 rebellen per dag hun wapens in bij afgevaardigden van de Verenigde Naties. En na het voorlopige akkoord, dat de Guatemalteekse URNG-rebellen vorige week bij Madrid met de Guatemalteekse politici sloten, sprak rebellenleider Rodrigo Asturias zoon van de Nobelprijswinnaar 'het is nu tijd voor vrede en werkelijke democratie'. Zijn dat allemaal linkse doekjes voor het bloeden en zijn de Middenamerikaanse maatschappijverbeteraars terug bij af? Waren alle opofferingen en bloedvergieten in de jaren tachtig vergeefs? Waarschijnlijk niet. De uitdagingen van links dwongen de Middenamerikaanse regeringen en hun Amerikaanse hulpgevers zich te verzetten tegen de willekeur en de onrechtvaardigheid van de oude orde. Dat blijkt een proces van vallen en opstaan en politieke moorden vormen in landen als Guatemala en El Salvador helaas nog onderdeel van de plaatselijke folklore. Maar toch valt dat proces niet te negeren.

Nieuwe leiders

De Middenamerikaanse militairen hebben nog altijd te veel invloed, maar zij moesten in de jaren tachtig macht afstaan aan burger-presidenten. Die nieuwe leiders werden gekozen op grond van redelijk vrije en internationaal gecontroleerde verkiezingen en zijn nu veel moeilijker dan in het verleden opzij te schuiven door militaire potentaten. Stond het oprichten van een socialistische politieke partij destijds gelijk aan zelfmoord, nu functioneren zij in alle Middenamerikaanse landen. Het schenden van de mensenrechten blijft een ernstig probleem. Maar wie zich er nu aan schuldig maakt, loopt meer risico dan voorheen. Zeker nu de Sovjet-dreiging uit Amerika's achtertuin is geweken, blijkt met name het Amerikaanse Congres meer dan ooit bereid zulke schenders te straffen met opschorting van hulp. Daagt daarmee na bijna vijfhonderd jaar van betrekkelijk isolement ook in Midden-Amerika de moderne tijd? Het ziet ernaar uit dat de nieuwe conservatieve presidenten hun verkiezing niet beschouwen als een blanco cheque voor reactionair gedrag en in alle regeringsverklaringen komen nu kwesties als armoedebestrijding aan de orde. En vooral dank zij de rebellieen van de jaren tachtig zullen Midden-Amerika's nieuwe machthebbers in de jaren negentig pragmatischer moeten regeren.