De schoonheid van een vaas gevormd uit scherpe scherven

De beelden van de Belg Leo Copers (Gent, 1947) vertonen een fascinerende mengeling van schoonheid en agressiviteit. Een recent werk op zijn overzichtsexpositie in het Antwerpse Museum van Hedendaagse Kunst is hiervan een goede illustratie. Drie manshoge, kelkvormige vazen staan in de grote benedenzaal van het museum diagonaal op een rij. Een is gemaakt van glas, de tweede van kristal en de derde is geheel bedekt met roze, rode en witte bloemen. Ze vormen een prachtig geheel. Het licht speelt zachtjes door het glas heen, bij de eerste vaas gelig van kleur, bij de tweede helderder van toon; de derde vaas werkt met zijn overdaad aan bloemen als een apotheose. De overdrijving van vorm en materiaal is vol van ironie, maar dat doet niets af aan de schoonheid van deze beelden.

Door JANNEKE WESSELING

Er is echter Geen roosje zonder doornen (zoals ook de titel luidt van een videofilmpje van Copers uit 1980). De glazen vaas bestaat is opgebouwd uit scherpe scherven, en de kristallen vaas is slecht gekoeld zodat hij, naar verluidt, gevaar loopt plotseling uiteen te springen. De bloemenweelde tenslotte, die toch al enigszins melancholiek stemt, blijkt afkomstig te zijn van rouwkransen. Al deze aspecten: een decadent soort schoonheid, vergankelijkheid, dood, gevaar, komen op de tentoonstelling steeds terug. Copers is wat dit aangaat een erfgenaam van het laat negentiende-eeuwse symbolisme. Gevoel voor humor en relativeringsvermogen behoeden hem echter voor zwaarwichtigheid. De vroegere objecten neigen nog wel eens naar een teveel aan theatraliteit zoals het grafmonument voor hemzelf en zijn vriendin Martine of hebben juist iets onbenulligs zoals het lampje in een bakje water , maar in zijn recente werk is Copers er steeds weer in geslaagd spel en ernst met elkaar in balans te brengen. Hij heeft de afgelopen tien jaar een prachtige ontwikkeling doorgemaakt.

Een van de vroegste documenten op de tentoonstelling is een brief waarin Copers beschrijft hoe hij, twintig jaar oud, liftend op weg ging naar de begrafenis van zijn illustere landgenoot Rene Magritte (de schilder van Ceci n'est pas une pipe) en daar net te laat aankwam: 'Opnieuw vroegen we de weg aan heel wat mensen. Na ongeveer een uur lopen, waarschijnlijk langer, bereikten we eindelijk, doodmoe, zwetend, hongerig en dorstig 'Het Kerkhof'. We stonden enkele minuten voor het onder bloemen en kransen bedolven graf'.

In hetzelfde jaar dat Magritte overleed en Copers zijn hommage bracht aan de surrealist (1967) werd in Italie de 'Arte Povera' geboren. De Arte Povera- kunstenaars vervaardigden hun kunstwerken, die meestal een symbolische betekenis hebben, van alledaagse, povere materialen (een van hen, Giovanni Anselmo, werd twee weken geleden op de Biennale van Venetie onderscheiden met een Gouden Leeuw). Voor een situering van het werk van Copers zijn deze gegevens belangrijk. Copers is in feite een arte povera-kunstenaar met een door Magritte beinvloedde? hang naar het surreele.

Uitvinder

Zijn vroegste werken zien er uit alsof ze afkomstig zijn uit het laboratorium van een uitvinder. Copers streefde een vereniging van de elementen water, vuur, aarde en lucht na en ontwierp daartoe ingenieuze instrumenten. Ook in tal van videofilmpjes probeerde de tovenaarsleerling een samensmelting van de vier oerelementen tot stand te brengen en af en toe slaagde hij erin, zij het kortstondig. Na deze 'experimentele' periode werden Copers' beelden steeds sprookjesachtiger en kregen ze een sacraal karakter. Een groot kristallen zwaard licht op in een duistere ruimte, ranke kristallen schoentjes wachten op een draagster met onwaarschijnlijk lenige voetjes, twee kaarsen branden op een langgerekte, met wit laken bedekte tafel en een groot slagersmes hangt vervaarlijk slingerend aan een touwtje van het plafond. Steeds weer ontwapenen hier de (quasi-)kinderlijke verwondering en de zucht naar avontuur.

Maar die kinderlijkheid, het onbevangene, krijgt pas een diepere betekenis in de werken uit de laatste tien jaar. De drie vazen zijn er een voorbeeld van, en de goudkleurige rococo-tafeltjes, adapted ready mades (naar Duchamp) die getuigen van de inventiviteit van de kunstenaar maar uiteindelijk toch vooral zijn onmacht illustreren. Af en toe slaan klepels van kristallen klokken, het heldere geluid weerklinkt in het museum tot op de bovenste verdieping. De fijnzinnigheid van deze laatste werken, hun lichtvoetigheid, hun poetische schoonheid brachten mij in verrukking. Een Draaitafeltje zet zich in beweging wanneer de bezoeker het passeert, het witte tafellaken wordt door de draaiing opgetild en wervelt in de rondte, het draaitafeltje is van een oneindige elegantie. Een kluisje met een gouden slot, aangebracht in de muur, accentueert de kostbare broosheid van de geexposeerde objecten. Het doet vermoeden dat Copers zich mag rekenen tot die prachtige traditie in de Belgische kunst waarvan Magritte, Broodthaers en Panamarenko hoofdfiguren zijn.