'Zwakzinnigenzorg is eenheidsworst'

RIJSWIJK, 2 juni J. B. van Borssum Waalkes is vergadermoe. De geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid sloeg deze week, kort voor zijn eenenzestigste verjaardag, voorgoed de deur van zijn kantoor in Rijswijk achter zich dicht. Na 33 jaar in overheidsdienst maakte hij gebruik van de VUT. 'Ik doe dat om me te kunnen bevrijden van die vergaderingen. Voor zover ik dan nog in het vak bezig ben heb ik de vrijheid om mij met klussen bezig te houden die ik leuk vind.'

Woensdag neemt hij afscheid van zijn collega's, onder wie zijn beoogde opvolger en huidige plaatsvervanger, mevrouw M. D. Lamping-Goos. In 1957 deed Van Borssum Waalkes zijn intrede in de geestelijke gezondheidszorg. Hij viel als afdelingsarts in de Rijks Psychiatrische Inrichting (RPI) in Eindhoven al snel op. Niet alleen door zijn verschijning een dokter die in een lange witte jas op een bromfiets over het terrein reed maar ook door zijn praktische aanpak. Hij waagde het zelfs om met verpleegkundigen over de behandeling en met patienten te praten. Na drie jaar vertrok hij naar Rotterdam, waar hij zich specialiseerde tot zenuwarts. Voordat hij daar enkele jaren later terugkeerde bleef hij zich, vooral in de weekeinden, met de RPI bemoeien. In 1961 zorgde hij ervoor dat de eenvoudige lepels en de diepe tinnen borden en bekers werden vervangen door echt serviesgoed en bestek. Ook de gestichtskleding verdween. 'In die tijd was de RPI een middeleeuws aandoend gesticht. Natuurlijk had ik, kersvers van de universiteit, allerlei opvattingen, maar mijn voornaamste idee was dat het zo niet langer kon. Het is dus niet zo verwonderlijk dat in zo een toestand, met zo'n gigantische achterstand, de kleinste en eenvoudigste dingen die je zei al als vernieuwing overkwamen. Zulke bijzondere dingen wou ik helemaal nooit. Ik wilde alleen maar dat het er goed ging.' De achterstanden in de RPI werden in de hand gewerkt door oude, verwaarloosde gebouwen, kolossale kazernes waar veelpatienten woonden en toen al een flink tekort aan personeel. Zelfs vakantiedagen werden ingehouden. Achttien verpleegkundigen moesten een paviljoen met 120 patienten runnen. 'Dat kan dus niet en zo krijg je middeleeuwse toestanden met patienten die geisoleerd zijn en vastgebonden.'

'Die toestanden in de RPI hebben toch wel een beetje bepaald wat ik verder wilde doen in mijn bestaan. Ik vond dat je zo niet met psychiatrische patienten en geestelijk gehandicapten moest omspringen. Die mensen kunnen zichzelf niet verdedigen. Het kan niet zijn dat er in Nederland zulke toestanden heersen. Je leest er nog wel eens over, maar dan gaat het over de situatie op een Grieks eiland of in Roemenie. Ik moest alles doen wat in mijn vermogen lag. Als je dat verbaliseert klinkt het een beetje raar, maar het is wel zo dat je op een gegeven moment door die omstandigheden wordt gedicteerd.' Tot 1976 werkte Van Borssum in de RPI, waarna hij vier jaar geneeskundig adjunct-directeur werd van de Van Mesdaghkliniek in Groningen waar TBS-patienten worden behandeld. In 1980 volgde zijn benoeming tot plaatsvervangend hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid, in 1983 werd hij hoofdinspecteur.

Bij zijn bezoeken aan inrichtingen verplaatste Van Borssum Waalkes zich in de gedachtenwereld van de familie van patienten. 'Het geheim is: zou ik willen dat mijn moeder, vader, broer, zuster, oom of tante hier verpleegd zou worden. Dan zeg je al gauw, nee, dat mot zo niet, om die en die reden. Dat is het beste criterium. Tamelijk simpel, maar het werkt feilloos.' Misstanden uitsluitend signaleren en het vinden van oplossingen aan anderen overlaten, heeft hij als erg frustrerend ervaren. 'Maar een mens is een raar vat vol tegenstrijdigheden. Ik kan dus pleiten voor verbeteringen die hoognodig zijn, maar dat ontslaat mij niet van begrip voor een staatssecretaris die geen centen heeft om die verbeteringen aan te brengen. Ik ben ingehuurd om toezicht te houden op voorzieningen en als het niet deugt dan zeg ik dat. Je weet dat het niet onmiddellijk opgelost kan worden, maar je brengt wel een proces op gang dat uiteindelijk eindigt met een oplossing. Je zult het net zo lang aan de orde moeten stellen tot het opgelost is. Daar is tijd voor nodig.'

'De laatste jaren zijn relatief moeilijk geweest voor de geestelijke gezondheidszorg. Dat is wel een teleurstelling. Een jaar of tien geleden kwam de overheid tot de conclusie dat de achterstand in de psychiatrische voorzieningen moest worden weggewerkt. Besloten werd flink te investeren en dat heeft een enorme stimulans gegeven aan de ontwikkeling. De stagnerende, stilstaande trein kwam op snelheid, veranderingen hadden in hoog tempo plaats. Vervolgens sloeg de recessie toe, moest er worden bezuinigd en de groei in de gezondheidszorg werd stopgezet. Dat is de beslissing die ik het meest heb betreurd. Die bezuinigingen hebben geleid tot een snel groeiend personeelstekort en je kunt in elke krant lezen wat daarvan de gevolgen zijn. In de psychiatrie hangt dat tekort vooral samen met de kleinschaligheid. Beter werken betekende daar dat patienten werden gehuisvest in kleinere units, waardoor meer personeel nodig was. Die kleinschaligheidseffecten zijn door de bezuinigingen niet meer verdisconteerd in de voorzieningen. Dat vind ik een van de belangrijkste problemen.' De laatste jaren ergerde Van Borssum Waalkes zich steeds meer aan de groeiende overlegcultuur in de gezondheidszorg. 'Vroeger had een patient niks in te brengen, behalve lege briefjes. Nu heeft-ie een positie die moet worden gerespecteerd en gewaardeerd moet worden. Een schitterende ontwikkeling, maar die betere overlegtoestanden in de psychiatrie vreten tijd. Je hebt nu maatschappelijk werkers, sociaal-psychiatrisch werkers, psychologen, sociologen, arbeidstherapeuten, psychomotore therapeuten. Vroeger hadden een dokter en een hoofdzuster of hoofdbroeder het voor het zeggen. Dat was niet de meest ideale toestand, maar wel overzichtelijk en minder tijdrovend.' Van Borssum Waalkes beschouwt de zwakzinnigenzorg als 'gemiddelde eenheidsworst'.

Te lang lag volgens hem de nadruk op de huisvesting van zwakzinnigen. Dat ging ten koste van de behandeling. Die zou meer moeten worden toegesneden op de patient. In de psychiatrie dienen de alternatieven voor psychiatrische ziekenhuizen verder te worden ontwikkeld: deeltijdbehandeling, poliklinische behandeling, dagactiviteitencentra en beschermende woonvormen. Als dat niet snel gebeurt, raken de psychiatrische ziekenhuizen overvol. 'De instellingen zijn de afgelopen jaren tot het besef gebracht dat ze niet zo groot moeten zijn, maar dat besef zijn ze weer aan het verliezen. Er is een grote druk aan de voordeur om patienten op te nemen en aan de achterdeur kunnen ze depatienten niet kwijt. Je moet ergens met die mensen blijven. Die kun je niet in de Zuiderzee gooien.' Van Borssum Waalkes is blij dat staatssecretaris Simons de belofte heeft gedaan meer geld en aandacht te besteden aan chronisch zieken, bijvoorbeeld zwakzinnigen, want dat zal hard nodig zijn. 'Onze wereld wordt steeds gecompliceerder. De samenleving is niet zieker dan vroeger, maar er worden hogere eisen aan de mensen gesteld. De behoefte aan geestelijke gezondheidszorg zal verder stijgen. Daar moeten we ons op voorbereiden.' Foto Rineke Dijkstra