Niet meer: naar de bollen

Er is een groot verschil in de behandeling van de Pool als bevrijder en de Pool als bollenpeller. De eerste categorie werd ook dit jaar weer tijdens de nationale herdenkingen gevierd, de tweede wordt bits de deur gewezen. Tot vorig jaar was dat nog anders. De Pool die voldoende verdiende om in de vakantie een reisje naar het Westen te betalen, kon als seizoenarbeider genoeg harde valuta binnenhalen om zijn levensstandaard thuis stevig op te krikken. De Hollandse bollenstreken leerden hem kennen als een gewaardeerde, zij het zwarte werkkracht. Dat laatste was voor werknemer en werkgever een extra attractie van het Poolse contract.

Terecht krijgt het ambtelijke apparaat zo nu en dan de aanvechting de regels toe te passen. Die zijn er tenslotte niet voor niets. Zo kregen de kwekers te horen dat zij voor hun Poolse arbeiders de vereiste premies moesten afdragen, als waren zij op de vaderlandse sociale voorzieningen aangewezen ingezetenen. De tegenwerping dat de Polen er geen gebruik van zouden maken, was te pragmatisch om enige indruk achter te laten. De jus van de Poolse tewerkstelling was er daarmee af, want wie het gelag zou betalen is niet moeilijk te raden.

Maar ons land kent vele soorten ambtenaren. Er zijn er die zich bezighouden met de tewerkstelling van werklozen in Nederland. Dezulken nu hebben het witten van de Poolse seizoenarbeid aangegrepen om er helemaal een eind aan te maken. Een 'witte' Pool heeft een arbeidsvergunning nodig en die kan hem vrij eenvoudig worden onthouden

Voor het goede doel is veel geoorloofd en het doel hier is goed: werkverschaffing aan werklozen. Tijdelijk weliswaar, maar, althans in een gecombineerd project van Amsterdam en Lisse, voorzien van een aanmoedigingspremie, gratis vervoer en de belofte op voorrang bij scholing, begeleiding en latere tewerkstelling. Na gerichte actie stelden 225 langdurig werklozen zich beschikbaar. De werkgevers hadden 450 vacatures aangemeld, de behoefte aan seizoenarbeid wordt landelijk geraamd op vele tienduizenden.

Geen Polen dus, onvoldoende ingezetenen. De ambtelijke blik richt zich ter compensatie op de Europese Gemeenschap, zij het dat gezien de bestaande regelgeving in armere landen als Spanje en Portugal pas in tweede instantie mag worden geworven. De bemiddelingskosten voor het aantrekken van deze laatste categorie worden hoog genoemd, duizend gulden per hoofd inclusief reiskosten. Oosteuropeanen mogen achter de rij aansluiten.

Deze schets is ontleend aan een recent artikel in deze krant. Zij toont dat de idealen van de Gemeenschap geen sinecure zijn en dat Nederland de wil toont die idealen hoog te houden, het vrije verkeer ook van arbeid. Maar in het licht van de vele vrome woorden die sinds de voorbije herfst worden gewijd aan de solidariteit met het zich oprichtende Oost-Europa komt het geheel er toch ietwat anders uit te zien.

Nog kort geleden was er een en ander te doen over de Poolse westgrens en de erkenning daarvan. Kanselier Kohl achtte zich volkenrechtelijk en politiek niet in staat op voorhand namens een verenigd Duitsland daarvoor garanties te verstrekken. Dat leverde hem nogal wat kritiek op, in eigen land en daarbuiten. Voorlopig is de kwestie ondergebracht bij het zogenoemde twee-plus-vier-overleg waaraan Polen zal deelnemen zodra het gesprek op de Pools-Duitse grens komt. Visionair is daarover van verschillende zijden opgemerkt dat grenzen geen twistpunt meer zouden behoeven te zijn zodra zij 'transparant' zouden zijn geworden. En dat zou nu eindelijk eens worden nagestreefd.

Maar terwijl dit schone begrip werd rondgedragen, stagneerde het zogenoemde Schengen-overleg tussen de 'rompleden' van de Gemeenschap. In dat overleg worden de justitiele en politiele gevolgen geregeld van het 'opengaan' van de grenzen tussen de betrokken vijf landen (Benelux, West-Duitsland en Frankrijk) als voorstadium van wat er in de Gemeenschap van de Twaalf vanaf 1993 staat te gebeuren.

Met het oog op de aanstaande Duitse vereniging verzocht Kohl eind vorig jaar om opschorting van de Schengen-besprekingen: de 'buitengrens' zou straks immers ergens anders komen te liggen dan was voorgenomen. Inmiddels is het gesprek weer op gang gekomen. Een van de onderwerpen, zeker niet het minste, is hoe de om toegang vragende buitenstaander tegemoet moet worden getreden. Bepaalde categorieen personen, werkzoekende en migrerende Oosteuropeanen bijvoorbeeld, zullen ontdekken dat van een 'transparante' grens nog lang geen sprake is.

De eersten die dit ondervinden zijn de in Oost-Europa wonende 'volksduitsers' die zich tot dusverre zonder plichtplegingen als staatsburger in West-Duitsland konden vestigen. De Duitse vereniging en de opheffing van de Europese binnengrenzen maken aan dit privilege een einde. Aangenomen mag worden dat het nieuwe Duitsland zich het lot van de volksgenoten zal aantrekken, maar het zal afstand hebben gedaan van de fictie de 'Heimat' van alle Duitsers te zijn. De stroom Duitstalige Roemenen die op gang is gekomen heeft met deze verandering te maken: men wil binnen zijn voor de deuren dicht gaan.

Maar ook andere Oosteuropeanen zij die van de nieuwe vrijheid gebruik willen maken om eens in het westen van hun werelddeel een kijkje te nemen zullen het moeilijk krijgen. Als de Poolse kandidaat-seizoenarbeider in Nederland merkt. Waarschijnlijk hebben we hier niet uitsluitend te maken met het gebruikelijke periodieke aantrekken van de teugels, maar ook met een bewuste 'strategische' verscherping van de controle op personen van buiten.

Vanaf het ontstaan van de Gemeenschap in de jaren vijftig is men geconfronteerd geweest met de communautaire paradox: meer openheid tussen de lidstaten onderling, meer privileges over en weer, dreigen ten koste te gaan van de landen die er buiten blijven. De regels van de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel) staan unievorming zoals in Europa bedoeld toe zolang de bestaande handelsstromen met de buitenwereld er geen hinder van ondervinden. Het is duidelijk dat die regel vooral voor de beginfase betekenis heeft. En het is begrijpelijk dat bijvoorbeeld de Verenigde Staten, maar ook de sterke Aziatische landen, Europese economische frontvorming altijd hebben gevreesd.

In de geheel nieuwe omstandigheden die de terugtocht van de Sovjet-Unie uit Oost-Europa heeft geschapen zou deze paradox extra aandacht moeten krijgen. Want de Westeuropese bemoeienis met Oost-Europa kan niet beperkt blijven tot het verstrekken van middelen voor de opbouw in de hoop een nieuwe afzetmarkt te helpen scheppen. De keerzijde zal moeten zijn openheid over en weer, wil er ooit van een gezond Oost-Europa sprake kunnen zijn. Een dergelijke ontwikkeling zal ook in West-Europa niet zonder pijn verlopen.

De politieke molens malen langzaam, slechts bij het spuien van beloften wordt het tempo opgevoerd. Zo mag Oost-Europa zich vermeien in vage toezeggingen over bijzondere afspraken die kunnen worden gemaakt. Maar voorlopig wordt aan een veelbelovende ontwikkeling een einde gemaakt, veelbelovend voor Oosteuropeanen die er gebruik van maakten. Het is volgens de regels, daarop zal niet veel zijn af te dingen. Maar het ontneemt ons weer het vergezicht dat zich sinds kort voor onze ogen ontvouwt.