Rapport dringt rol van overheid op scholen terug Onderwijs inde leer bij bedrijfsleven

DEN HAAG, 31 mei Minister Ritzen (onderwijs) riep onlangs ondernemend Nederland op de 'materiele positie van het onderwijs te helpen verbeteren'.

Bedrijven zouden moeten bijspringen in de aanschafkosten van dure apparatuur voor het beroepsonderwijs. Bovendien zouden bedrijven en scholen moeten samenwerken in permanente her- en bijscholing van werknemers.

Gisteren maakte een commissie van deskundigen uit bedrijfsleven, onderwijs en het ministerie van sociale zaken onder leiding van Philips-topman mr. ir. F. Rauwenhoff duidelijk wat het bedrijfsleven voor het onderwijs kan betekenen. Dat deed ze op verzoek van de regering in een rapport over de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.

Volgens de commissie moeten ondernemingen afspraken maken met scholen over het gemeenschappelijk gebruik van apparatuur. Bedrijfsleven en onderwijs moeten personeel uitwisselen voor her- en bijscholing. Het bedrijfsleven dient zich verder te bekommeren om werknemers die veel te vroeg de schooldeuren achter zich hebben dichtgeslagen. Eenmaal ontslagen zijn deze laaggeschoolden kansloos op een arbeidsmarkt die om hooggeschoolden vraagt. De bedrijven moeten volgens de commissie worden verplicht zulke werknemers te helpen bijscholen tot het niveau van ten minste aankomend vakman.

Maar dit is lang niet alles. Het bedrijfsleven kan volgens de commissie ook vele andere problemen in het onderwijs op 'onorthodoxe wijze' helpen oplossen waar de overheid tot nu toe geen antwoord op heeft gevonden. Onderwijsinstellingen leiden veel leerlingen en studenten op voor werkloosheid. Wie wel werk vindt, merkt vaak dat hij op school of universiteit te weinig heeft meegekregen om in zijn beroep goed te kunnen functioneren.

Om dit soort problemen te voorkomen, zouden bedrijven volgens de commissie meer te zeggen moeten krijgen op scholen en universiteiten. Hun vertegenwoordigers moeten in nieuw te vormen besturen worden opgenomen om daar de inhoud van de opleidingen beter op de wensen van de markt af te stemmen. Ook zouden de bedrijven met de onderwijsinstellingen moeten afspreken dat elke leerling via een 'leer-werk-overeenkomst' uitgebreid kennis kan maken met de praktijk.

Een mooi rapport, zei minister Ritzen toen hij het boekwerk gisteren in ontvangst nam. Er zitten inderdaad onconventionele voorstellen in, aldus Ritzen, zelfs een enkele bruikbare. Hij voegde er echter aan toe dat onderwijsinstellingen door alle hulp uit het bedrijfsleven de afhankelijkheid van de overheid dreigen te verruilen voor een andere afhankelijkheid: van de bedrijven. In dat geval blijft er niets over van de grondwettelijke taak van de overheid als bewaakster van de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs. Commissie-voorzitter Rauwenhoff kon alleen maar instemmend knikken. Hij waarschuwt daar in zijn rapport zelf ook voor.

Het rapport bevat echter aanbevelingen die de verantwoordelijkheden van de overheid niet intact zullen laten. Zo schrapt de commissie de mogelijkheid voor de overheid om de kwaliteit van het beroepsonderwijs te bewaken met behulp van 'eindtermen' (een beschrijving van wat leerlingen aan het eind van een opleiding moeten weten en kunnen). Dat zou de scholen te veel in hun bewegingsvrijheid beperken, vindt de commissie. Het alternatief: scholen leggen pas achteraf verantwoording af over hun onderwijsprogramma's, die ze eerst in overleg met bedrijven in de regio ontwikkelen. Dat beperkt wel de kwaliteitsbewaking door de overheid. De onderwijsprogramma's zouden ook het gevaar lopen steeds achter te blijven bij de snel veranderende verwachtingen van het bedrijfsleven. Die kunnen bovendien per regio verschillen. Zal het diploma elektrotechniek dat scholen en bedrijven in Zuid-Limburg hebben afgesproken, even bruikbaar zijn in Twente? Ook de algemeen vormende kwaliteit van het beroepsonderwijs kan onder druk komen te staan. De deskundigen uit het bedrijfsleven die volgens de commissie om de zoveel tijd de kwaliteit van het beroepsonderwijs zouden moeten doorlichten zullen eerder geinteresseerd zijn in de goede kwaliteit van metaaltechniek dan in die van minder praktijkgerichte vakken.

De voorstellen van de commissie kunnen het onderwijs tevens minder toegankelijk maken. Wie de basisvorming in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs heeft afgerond, krijgt van de commissie nog vijf jaar in dit onderwijs. Daarna moet de bekostiging door de overheid ophouden. De commissie hoopt zo het aantal leerlingen te beperken dat langs allerlei omwegen voortgezet onderwijs volgt (bijvoorbeeld via het MAVO naar HAVO en VWO). Toch is hier iets vreemds aan de hand: het is inderdaad onmogelijk in vijf jaar zowel het HAVO als het middelbaar beroepsonderwijs te doen. Voor deze omweg is de tijd te kort. Maar de omweg van HAVO via VWO naar het hoger beroepsonderwijs blijft mogelijk.

Het rapport belooft ten slotte ook zware tijden voor studenten in delen van het hoger onderwijs die wat verder van het bedrijfsleven of (semi-) overheidsinstellingen af staan. Een student filosofie zal van de commissie een tijdje moeten gaan werken op een afdeling van een bedrijf of een overheidsinstelling. Wie dat niet doet krijgt geen diploma. Maar wat gebeurt er als het bedrijfsleven onverhoopt onvoldoende stage-plaatsen beschikbaar heeft omdat alle 50.000 andere studenten jaarlijks ook nog bediend moeten worden? Veel ondernemingen hebben nu al de grootste moeite om aan de vraag naar stage-plaatsen te voldoen. De student filosofie kan dan waarschijnlijk nog slechts filosoferen over het einde van zijn studie.