Klagen heeft geen zin

Zoals de eerste Bergmanfilms pas jaren na de rest van de wereld en in willekeurige volgorde Nederland bereikten, zo zijn we hier ook laat met de ontdekking van de Finse broers Aki en Mika Kaurismaki. Om de een of andere reden heeft geen van hun films ooit het Filmfestival Rotterdam bereikt, terwijl internationaal hun naam toch langzaam een begrip begint te worden. Ze regisseerden hun eerste film (The Saimaa Gesture, 1981) samen en gingen daarna ieder huns weegs. Aki (geboren in 1957) ontpopt zich van beiden als de meest aardse en interessante filmer, een door de poolwinter en koning alcohol gelouterd neefje van Jim Jarmusch en Theo van Gogh. Zijn vijfde lange speelfilm, Ariel uit 1988, markeerde de doorbraak op de festivals, maar Aki Kaurismaki voltooide sindsdien alweer Leningrad Cowboys Go America (binnenkort in Nederland uitgebracht op video) en het deprimerende A Match Factory Girl (Tulitikkutehtaan tytto).

De stijl van Ariel is zo laconiek, dat bespiegelingen er moeilijk vat op krijgen. De film spreekt in 74 minuten volledig voor zichzelf en is niets meer of minder dan wat het pretendeert te zijn: een Finse road movie met een pessimistisch wereldbeeld en droge humor, gelardeerd met onpretentieuze uitstapjes naar het sociaal-realisme, de misdaadfilm en het surrealisme.

Het verhaal begint in een stadje in het noorden, waar juist de laatste mijn zijn poorten sluit. De hoofdpersoon, Taisto, zit in een troosteloze kantine te praten met een oudere man, vermoedelijk zijn vader, die hem de sleuteltjes van zijn Cadillac schenkt. De gulle gever gaat naar het toilet en schiet zich een kogel door de kop. De reis naar het zuiden kan beginnen, maar omdat de nieuwe eigenaar niet weet hoe het dak te sluiten, moet hij zich tegen de vrieskou wapenen met een sjaal in bedoeienendracht.

Onderweg ontmoet hij slechte mensen, vindt werk bij een koppelbaas in de haven van Helsinki en laat zich bekeuren door een parkeeragente. Bij nader inzien verscheurt zij de bon en besluit zonder lang na te denken haar leven voortaan met hem te delen. Het vooroordeel dat Finnen mensen van weinig woorden zijn wordt door Kaurismaki ruimschoots bevestigd. Ook de kennismaking met het zoontje van de nieuwe vriendin speelt zich grotendeels af op het non-verbale vlak. De jongen richt een speelgoedpistool op de slaap van de man in het bed van zijn moeder en wijst hem vervolgens het ontbijt.

Kaurismaki verstaat de kunst om een film vanzelfsprekend te doen lijken. Het is zo simpel: geen ingewikkelde citaten, geen geklets, geen introducties, maar recht op het doel af, in een aaneenschakeling van rake beelden, goed gekozen muziek, absurde observaties, noodlottige tegenslagen. De politie rolt de koppelbazen op, dan maar geen werk, we zien wel weer wat de dag van morgen brengt. Klagen heeft geen zin, dramatische muziek of cameravoering evenmin.

Men kan Ariel interpreteren als een aanklacht tegen de werkloosheid, maar het hoeft gelukkig niet. Kaurismaki hoedt zich wel voor gepreek. Het beeld van Taisto en zijn vriendin, tijdens haar pauze in de vleesfabriek, achter twee plastic koffiebekertjes, zegt meer over de voor- en nadelen van het ongeschoolde arbeidsbestaan dan de dialogen die een traditioneel scenarist er aan zou wijden.

Ariel gaat over de grimmige alledaagse werkelijkheid, maar is zelden realistisch. Het rooskleurige slot gaat nog een stapje verder in de richting van een filmsprookje. Man, vrouw en kind laten crisis, gevangenis, gangsters en geweld achter zich en gaan aan boord van het vrachtschip 'Ariel', op weg naar Zuid-Amerika. Een hese stem zingt Over the Rainbow in het Fins.

In het voorprogramma van Ariel wordt de korte Nederlandse film Boeuf Bourguignon van Rayke Verhoeven vertoond. Het is een bekwaam vertelde anekdote over een dame in de lunchroom van de Haagse Bijenkorf, die na nog iets te drinken te hebben gehaald bij terugkeer aan het tafeltje moet toezien hoe een grote neger haar maaltijd opeet, vriendelijk glimlachend. Verbijsterd kijkt ze toe en constateert na zijn vertrek dat hij zelfs haar tas heeft meegenomen. Totdat tas en consumpties al die tijd aan het belendende tafeltje gestaan blijken te hebben. Tijdens het vorige week beeindigde festival van Cannes ging de Gouden Palm voor de korte film naar de Amerikaanse produktie The Lunch Date van Adam Davidson, die scene voor scene hetzelfde verhaal vertelt. Er werd al zachtjes door verschillende Nederlanders over plagiaat geprutteld. De mop is echter heel oud, en zelfs al eens eerder in filmvorm gesignaleerd (titel, regisseur en land onbekend, het festival was in Bergamo). Dat heb je er van, als je met een film alleen maar een aardige geschiedenis wil vertellen.