DE ARCHITECTUUR VAN HET HOK IN DE NEDERLANDSE DIERENTUIN; Waterballetten in het buitenverblijf

Het beeld van de mistroostig kijkende mannetjesgorilla Tembo in het oude apenhuis staat in het geheugen van menig Artisbezoeker gegrift. Tembo, de filosoof van Artis, sleet zijn dagen samen met Banja, een vrouwtjesgorilla, in een klein hok met als enig vertier een oude autoband. Zijn treurige onderkomen was nog een restant van ouderwetse opvattingen over het verzorgen van wilde beesten.

Toen Artis in 1838 werd geopend, was er nog weinig bekend over uitheemse dieren. De gorilla werd pas voor het eerst in 1847 wetenschappelijk beschreven, maar dat maakte nog geen einde aan de gruwelijke verhalen die de ronde deden over deze mensaap. Men geloofde dat gorilla's in het oerwoud mensen onverhoeds de bomen in trokken om ze te wurgen. En als ze even de kans kregen, zouden ze vrouwen verkrachten. Maar dat was eigenlijk niet eens nodig om te bevallen van een baby-gorilla. Daarvoor was het voldoende om tijdens de zwangerschap een gorilla te zien. Zulke beesten hoorden achter dikke tralies.

De negentiende-eeuwse dierentuin was vooral een rariteitenkabinet, en aan de dierverblijven werd nauwelijks aandacht besteed. In de beginjaren van Artis werden de dieren ondergebracht in gebouwen die al op het aangekochte terrein in de Plantage stonden. Pakhuizen werden gebruikt als stallen voor de runderen, een molen werd omgebouwd tot nijlpaardenhuis en een landhuisje diende als voliere. Pas omstreeks de eeuwwisseling, toen de kennis over de 'exotische' dieren was toegenomen, werden verblijven gebouwd die enigszins waren aangepast aan de behoeften van de bewoners. Uit die tijd dateren de eerste rotsterrassen voor apen en gemzen waarbij de dieren door een gracht van de bezoekers worden gescheiden, zodat het zicht niet wordt gehinderd door tralies.

In de jaren dertig was het gewoon geworden om onderkomens voor dieren te bouwen waarin de ventilatie, de luchtvochtigheid en de temperatuur geregeld konden worden. De architect Sybold van Ravensteyn ontwierp in 1937 voor Diergaarde Blijdorp in Rotterdam dierverblijven die zonder twijfel architectonisch gezien de mooiste van Nederland zijn. Van Ravensteyn, die in de jaren twintig was beinvloed door het Nieuwe Bouwen, vond dat ook dieren recht hadden op licht, lucht en ruimte. Maar voor Van Ravensteyn moest een bezoek aan de dierentuin toch in de eerste plaats een feestelijke gebeurtenis zijn en hij gaf de gebouwen in Blijdorp een zwierige, modern-barokke vorm. Zo doet het buitenverblijf van de leeuwen door de rij gestileerde ionische zuilen nog het meest denken aan een decor voor een film over christenenvervolgingen in het keizerlijke Rome. Overigens heeft Diergaarde Blijdorp echt als decor gefungeerd voor A Zed and Two Noughts, een film van Peter Greenaway waarin Van Ravensteyns gebouwen verreweg het boeiendst waren.

Maar ook Van Ravensteyns dierverblijven werden achterhaald door nieuwere opvattingen over dierentuinen. In de jaren vijftig won het idee terrein om dieren zoveel mogelijk in hun natuurlijke omgeving te laten zien, en verschillende van de neo-barokke gebouwen in Blijdorp zijn inmiddels gesloopt. Gelukkig worden de nog overgeleven dierverblijven ontzien in de nieuwe uitbreidingsplannen van Blijdorp.

Jaap Rensen en Aleid Rensen-Oosting, het echtpaar dat de directie van het indrukwekkende Noorder Dierenpark in Emmen vormt, moeten weinig hebben van Van Ravensteynachtige dierverblijven. 'Er zijn nog steeds architecten die met opvallende gebouwen hun stempel op een dierentuin willen drukken, maar zulke onderkomens willen wij hier niet, ' zegt Jaap Rensen, die zelf als architect werkte tot hij twintig jaar geleden samen met zijn vrouw de dierentuin overnam. 'De dierverblijven moeten zoveel mogelijk aan het oog worden onttrokken. We willen de dieren in hun natuurlijke omgeving tonen.'

Deze opvatting komt duidelijk tot uitdrukking in het nieuwe buitenverblijf voor de olifanten dat vorig jaar in gebruik is genomen. Het bestaat uit een hoge rotspartij, een ruime vijver en een waterval temidden van een zanderig terrein, dat is omgeven door een droge gracht en planten. Op het eerste gezicht lijken de hoog opgestapelde rotsblokken niet erg geschikt voor de logge beesten, maar ze vormen voor de tien niet al te grote Emmense olifanten toch de natuurlijke omgeving, legt Aleid Rensen-Oosting uit. 'Het zijn Birmese olifanten en dat zijn uitstekende klimmers. Ze worden in Birma gebruikt voor het slepen van boomstammen in het hooggebergte waar geen machines kunnen worden gebruikt. We hadden al drie oudere olifanten en hebben er zeven bijgekocht, zodat ze, net als in Birma, in een kudde kunnen leven en zich niet hoeven te vervelen. Ook de rots is een goed middel tegen verveling. De olifanten kunnen niet meer in een oogopslag het terrein overzien en ze kunnen zich bij ruzie ergens terugtrekken.'

Te oordelen naar het gedrag van de olifanten is het buitenverblijf een succes. Ze staan niet, zoals je wel in andere dierentuinen ziet, langdurig met hun kop te zwaaien, en besteden een groot deel van hun tijd aan wilde waterballetten onder de waterval in de vijver. Het buitenverblijf van de nijlpaarden, dat met Pinksteren moet zijn voltooid, en het in 1991 te openen buitenverblijf voor de tijgers zijn volgens dezelfde uitgangspunten ontworpen.

Van de nacht- en winterverblijven van de dieren is in het Noorder Dierenpark nauwelijks iets te zien, doordat ze ondergronds zijn gebouwd. De oppervlakte van de Emmense dierentuin is niet groot, maar dat is nauwelijks een nadeel. 'Het dwingt tot inventief gebruik van de ruimte, ' zegt Jaap Rensen die de nieuwe dierverblijven zelf ontwerpt, 'Een groot deel van het dierentuinoppervlak benutten we twee of zelfs drie keer. Niet alleen in de kelders, maar ook in de ruimtes onder de kunstmatige heuvels en rotsen bevinden zich allerlei dierverblijven.' Ondanks de toegenomen kennis over de dieren, doen zich nog altijd verrassingen voor bij de bouw van dierverblijven. Jaap Rensen: 'Het heeft ons vreemd genoeg nog veel moeite gekost om erachter te komen wat de maximale omvang van een Birmaanse olifant is. Daar moet je bij het bouwen toch rekening mee houden want het is niet uitgesloten dat een van de zeven jongen nu net de grootste Birmese olifant ter wereld wordt. En in het nachtverblijf van de nijlpaarden hebben we geluiddempende platen aangebracht, omdat die dieren veel kabaal kunnen maken. We hadden er absoluut niet op gerekend dat een van de nijlpaarden tegen het hek zou gaan staan en met zijn kop die platen eraf zou tikken.' Ook bij het nieuwe verblijf van Tembo en Banja in Artis was het uitgangspunt dat zij zo natuurlijk mogelijk moeten kunnen leven. Ze hebben gezelschap gekregen van vier jongere gorilla's, zodat ze, net als in de natuur, in een groep kunnen leven. De nacht brengt iedere gorilla door in een eigen nachtverblijf dat is voorzien van een verwarmde vloer, een rustbank en klautermogelijkheden. Het dagverblijf is een functioneel, onopvallend bouwwerk in het nijlpaardenhuis. Achter hoge, dikke glasplaten bevinden zich rotsblokken en een houten stellage waaraan touwen, kettingen en autobanden zijn bevestigd. Het mooiste van het nieuwe gorilla-onderkomen is dat het ook een ruim buitenverblijf omvat met heuvels, rotsblokken en de restanten van een omgewaaide boom. En zo kwam Tembo, hevig zwetend van opwinding, op 3 mei voor het eerst sinds vele jaren weer in de buitenlucht.