Brussel: Frans invoerverbod op Brits vlees ontoelaatbaar

BRUSSEL/LONDEN/PARIJS, 31 mei De Europese Commissie heeft de Franse regering vandaag laten weten dat haar verbod op de import van alle Britse rundvlees in strijd is met de regels van de Europese Gemeenschap.

Parijs had gisteren aangekondigd dat het verbod vandaag ingaat. Aanleiding is de 'dolle-koeziekte' onder het Britse vee.

In een reactie zei het Franse ministerie van landbouw vanmorgen de boodschap uit Brussel te zullen bestuderen. Verder stuurt Parijs nog vandaag een missie naar Londen. Een woordvoerder zei dat Parijs de zaak wil kalmeren.

Inkomsten uit de Britse rundvleesindustrie dreigen te worden gehalveerd, als Frankrijk niet op die beslissing terugkomt. De Britse export van rundvlees en levende runderen naar Frankrijk beloopt 183 miljoen pond per jaar. Het Permanente Veterinaire Comite van de EG heeft Frankrijk vanochtend laten weten de maatregel niet te accepteren. De voorzitter van het Nederlandse Produktschap voor Vee en Vlees, R. J. Tazelaar, tekent hierbij aan dat 'de wetenschappelijke bewijzen van de juistheid van de EG maatregelen meer dan voldoende zijn om de consument te beschermen'. De 'dolle-koeziekte' heet officieel BSE, een afkorting voor bovine spongiform encephalopathy, een vorm van hersenvliesontsteking bij runderen.

De Britse minister voor landbouw, John Gummer, vocht voor de Britse veeboeren en voor zijn persoonlijke prestige toen hij vandaag in Brussel bepleitte dat Frankrijk niet echt bezorgd is over de 'dolle-koeziekte' in Groot- Brittannie, maar import van Brits rundvlees alleen maar met een handig voorwendsel aanreikt om de eigen markt te beschermen.

Ook Oostenrijk besloot gisteren de import van Brits rundvlees te verbieden. Oostenrijk is geen EG-lid. In de EG had tot nu toe alleen West-Duitsland de invoer van rundvlees uit Engeland beperkt, al geldt voor de hele Gemeenschap dat de EG weigert levend vee van meer dan zes maanden af te nemen of kalveren van koeien die mogelijk met BSE zijn besmet.

In de ogen van de Britse regering is de onrust over BSE volledig de schuld van de pers. Die zou volledig ten onrechte, want zonder een spoor van wetenschappelijk bewijs, verband hebben gelegd tussen de recente constatering van een vorm van BSE bij katten en het voorkomen van de ziekte onder koeien en schapen.

Maar hoe minister Gummer ook volhoudt dat 'onze wetenschappers zeggen dat het Britse rundvlees veilig is, onze hoogste gezondheidsautoriteit zegt dat het veilig gegeten kan worden', het Britse publiek gelooft hem niet.

Het gedraai en getreuzel waarmee in het nabije verleden de salmonella-besmetting in eieren en de listeria-infectie in zachte kaas zijn gebagatelliseerd, ligt menig consument nog vers in het geheugen.

Keer op keer zijn op de televisie de beelden vertoond van wazig kijkende koeien die rondstrompelden op een vuile binnenplaats, door de poten gingen en weer opkrabbelden, meewarig bekeken door zelfs de boer die ze naar de slacht moest brengen.

In zijn ijver tot contra-propaganda schuwde minister Gummer niet zijn vierjarig dochtertje onder het oog van veel camera's een hamburger op te dringen, maar tientallen regionale schoolbesturen voerden tegelijkertijd rundvlees af van het schoolmenu.

BSE of 'mad cow-disease' werd in Engeland in 1986 voor het eerst geconstateerd bij koeien. De ziekte vertoont overeenkomst met een soortgelijke aandoening die al sinds jaar en dag bij schapen bekend is. Verondersteld wordt dat de aandoening naar koeien is overgeslagen, omdat die voedsel kregen toegediend waarin dierlijk afval van schapen is verwerkt. In 1988 verbood de regering het toedienen van dergelijk voedsel aan koeien (en schapen). Om de ziekte te beperken besloot ze alle geinfecteerde dieren te laten afmaken en de boeren voor het verlies te compenseren, eerst gedeeltelijk, sinds het begin van dit jaar voor 100 procent.

Een wetenschappelijk onderzoek in opdracht van het ministerie van landbouw resulteerde vorig jaar in de aanbeveling geen melk van besmette koeien te drinken. In november 1989 werd een verbod uitgevaardigd op de consumptie van vleesprodukten waarin hersenen en ruggemerg van koeien zijn verwerkt. Inmiddels heeft het aantal gevallen van met BSE besmette runderen zich uitgebreid tot 350 per maand.

Bij het publiek en sommige wetenschappers is de bezorgdheid omgeslagen in ernstige verontrusting nu een BSE-variant ook bij katten is aangetroffen. Als nu een vleesetend soort de ziekte ook heeft gekregen (voedsel voor huisdieren valt niet onder het consumptieverbod voor besmet rundvlees), betekent dat dan niet dat mensen potentieel op soortgelijke manieren als een kat besmetting kunnen oplopen? Minister Gummer houdt, met een beroep op 'de beste wetenschappelijke adviseurs', hardnekkig vol van niet. Sceptici wijzen erop dat de incubatietijd voor een besmetting met BSE op ten minste tien jaar geschat moet worden. De consumptie van een Britse beef-hamburger vandaag zou dus pas tegen het jaar 2000 tot sponsvorming in de hersenen kunnen leiden.