Beeldentuin Vredespaleis in harmonie met natuur

In de tuinen van Paleis Noordeinde en van het Vredespaleis in Den Haag heeft koningin Beatrix gisteren de tentoonstelling 'Paleistuin/Beeldentuin' geopend. De tentoonstelling, een initiatief van de Stichting Paleistuin/Beeldentuin, is ingericht door de directeur van het Haags Gemeentemuseum, Rudi Fuchs, en men is van plan voortaan iedere twee jaar een dergelijke expositie te organiseren.

Het aantal exposanten is beperkt - zestien, overwegend jongere, Nederlandse beeldhouwers. Hun beelden zijn, op een paar uitzonderingen na, bescheiden van omvang en zonder al te veel pretenties.

Het begrip 'beeldentuin' roept zo langzamerhand geen prettige associaties meer op. Iedere zomer worden overal in het land beeldentuinen opgezet, en vrijwel altijd lijden ze aan hetzelfde euvel: er staan te veel beelden en ze zijn op een willekeurige manier in het landschap of de tuin verspreid. De zin van dergelijke exposities is moeilijk te ontdekken. Een beeldhouwwerk kan het immers zelden tegen de natuur opnemen; naast een boom of een bloeiende struik delft een kunstwerk al gauw het onderspit. En anders dan vroeger, bijvoorbeeld ten tijde van de Barok, ontbreekt tegenwoordig een inhoudelijke context die het beeld nog een betekenis zou kunnen verlenen en die de plaatsing in de natuur legitimeert. Een laat voorbeeld van een beeld dat onderdeel is van groter geheel overigens het Erasmusbeeld van Hildo Krop (1937) in de tuin van het Vredespaleis.

De organisatoren, Fuchs en conservator van Rijksmuseum Kroller-Muller Marianne Brouwer, waren zich van deze problemen bewust. De eerste stap was om locaties voor beelden aan te wijzen, maar, aldus Fuchs in zijn toelichting, 'hoe langer we zochten hoe minder plekken er waren waar een beeld kon staan zonder de tuin aan te tasten.' Ze hebben uiteindelijk gekozen voor 'een lichtvoetige benadering', waarbij de beelden 'niet meer op een zware, dominante manier een plek in beslag nemen, maar veel meer een subtiele interventie zijn.'Nadat de plekken waren vastgesteld hebben Fuchs en Brouwer kunstenaars gevraagd een beeld te maken. Hun voorkeur ging uit naar de recente beeldhouwkunst die licht en transparant is en eerder een vermenging van schilder- en beeldhouwkunst dan beeldhouwkunst in de klassieke zin van het woord. Fuchs is hiermee ver verwijderd van zijn ideeen over de beeldhouwkunst zoals hij die naar voren bracht met zijn tentoonstelling 'De Statua' (1983, in het van Abbemuseum, Eindhoven), een 'programmatische' tentoonstelling waarmee hij betoogde dat 'soliditeit' en 'tastbaarheid' voor de beeldhouwkunst, in tegenstelling tot de schilderkunst, wezenlijk zijn, en dat van daaruit een definitie van de beeldhouwkunst ontwikkeld moet worden.

Windgevoelig

De bijdrage van J. C. J. van der Heyden bij het Vredespaleis is het tegendeel van soliditeit en tastbaarheid. Hij ontwierp een elegante 'Waterparaplu', een fontein die water spuit in de vorm van een halve bol. Bij windstil weer maakt het neervallende water een mooie cirkel in de vijver. De hoeveelheid opspuitend water is gering en de fontein naar verhouding hoog, zodat de wind met het water vrij spel heeft. Een bescheiden, maar zeer poetische toevoeging aan de tuin.

Een ander windgevoelig beeld is de 'poort' van Auke de Vries. Hij plaatste voor de zijgevel van het Vredespaleis aan de rand van het bordes twee ranke elementen van respectievelijk 11 en 9.50 meter hoog. De stalen buizen, gelakt in een tint bruinrood die harmonieert met de bakstenen gevel, welven zich in sierlijke bewegingen naar boven, als vliegers die zich los willen maken van de grond. Ze wiegen zachtjes met de wind en bewijzen weer eens dat het werk van de Vries, ooit begonnen als tekenaar en graficus, vooral een schriftuur in de ruimte is en een kwestie van delicaat evenwicht.

Verrassend en humoristisch zijn de maskers van Christiaan Bastiaans, die oplichten in de bogen onder een galerij. Vergelijkbaar speels zijn de bronzen, groen uitgeslagen eikeltjes die Albert Goederond neerlegde op de markeringen van het bordes aan de voorkant van het Vredespaleis. Vergeleken hiermee zijn de grote roestvrije stalen tonnen van Arno van der Mark, aan de binnenzijde conceptueel beschilderd, weinig fijngevoelig, om niet te zeggen plomp. De somberheid van zijn bunker-achtige beelden (momenteel ook te zien bij galerie De elby in Amsterdam) leent zich slecht als element in tuinarchitectuur. Een absoluut dieptepunt bij het Vredespaleis is de bronzen kop van een aardappeleetster van Vincent van Gogh die Cornelius Rogge plaatste op een zwarte obelisk. Een oubollig beeld dat iedere zeggingskracht mist.

Gouden spitsen

Over het algemeen is de beeldentuin bij het Vredespaleis bevredigender dan bij Noordeinde, maar dat kan zijn omdat de tuin van het Vredespaleis beter onderhouden en afwisselender is. Heel vernuftig zijn evenwel de gouden spitsen die Hannes van Es plaatste op het ijzeren hek rond de tuin van paleis Noordeinde. Ze schitteren in de zon en zijn een koninklijke tuin waardig. Ook de bronzen 'groeibeelden' van Sjoerd Buisman en de kleine decoratieve bankjes van donkerblauw staal, de bijdrage van Irene Fortuyn, zijn hier goed op hun plaats.

Zoals ook blijkt uit de bevindingen van de tentoonstellings-organisatoren, een beeldentuin heeft de meeste kans van slagen wanneer de ingrepen van de kunstenaar zo subtiel en onopvallend mogelijk zijn, en wanneer de tuin niet wordt aangetast. Dit Haagse project onderscheidt zich, dankzij de bescheiden rol die kunstenaars en organisatoren zich hebben toebedeeld, in positieve zin van vele andere andere beeldentuinen.