Zorg voor zorg

DE ACTIES IN DE gezondheidszorg worden harder. Het 'geen geld' van het kabinet wordt beantwoord met stakingen, werkonderbrekingen, weigering van het aannemen van zorgbehoevenden waarbij in sommige gevallen de vorig jaar door de rechter gestelde grenzen al niet meer in acht worden genomen. Het kabinet Lubbers-Kok wordt, evenals voorgaande kabinetten, geconfronteerd met het politieke onvermogen om keuzes te maken in de gezondheidszorg. Nederland staat daarin overigens niet alleen. In bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar de kosten van de gezondheidszorg in de laatste tien jaar ruim verdubbelden, valt hetzelfde verschijnsel waar te nemen.

In Nederland werd het succesvolst bezuinigd op de uitgaven aan gezondheidszorg door een straffe beheersing van de lonen in deze sector sinds 1979. Het huidige conflict tussen werkgevers en werknemers enerzijds en overheid anderzijds komt daaruit rechtstreeks voort en had zelfs kunnen worden voorspeld. Immers zelden zal sprake zijn van een samenvallen van het belang van de overheid, die verantwoordelijk is voor omvang en verdeling van de collectieve uitgaven, en het belang van de CAO-partners in deze sectoren bij vrije onderhandelingen.

De praktijk heeft dat ook laten zien. De overheid bepaalt binnen welke financiele grenzen de CAO-partners moeten blijven. Hoewel de wet drie maatstaven aanlegt voor het vaststellen van de financiele ruimte heeft slechts een maatstaf steeds de doorslag gegeven: de volgens de ministerraad noodzakelijke beperking van de collectieve uitgaven. Achtereenvolgende kabinetten trotseerden kritiek van de Raad van State en de Internationale Arbeidsorganisatie. Geen wonder dat in deze sector na zoveel jaar de gedachte is gaan leven dat hier eenzijdig aan de werknemers een rekening werd gepresenteerd voor het sinds eind jaren zeventig gevoerde budgettaire beleid.

DE UITGAVEN voor de volksgezondheid moeten worden beheerst. Daarover zal niemand willen twisten. Maar de manier waarop moet ter discussie kunnen staan, vooral nu door personeelsproblemen en werkdruk de kwaliteit van basisvoorzieningen voor een aantal groepen dreigt te verminderen. Dat is in strijd met de uitgangspunten van alle recente plannen om het stelsel van volksgezondheid te hervormen. Het huidige loonconflict vergt daarom een bredere discussie dan alleen over de arbeidsvoorwaarden van het personeel. Het kort houden van lonen is op den duur geen oplossing voor de wezenlijke problemen van de gezondheidszorg. Aan het stellen van politieke prioriteiten, welke kosten wegen niet op tegen beperkte kansen op overleven, valt niet te ontkomen. In de politiek blijft het echter op dat punt opvallend stil.

Zelfs al wordt zo'n discussie wel op korte termijn gevoerd dan zal ze nog te laat zijn om een oplossing te bieden in het huidige CAO-conflict. Met een aantal feiten zal nu toch rekening moeten worden gehouden. De werkdruk op het personeel in de gezondheidszorg is sterk gegroeid. Door de achterstand in beloning ten opzichte van commerciele sectoren kan onvoldoende personeel worden aangetrokken en meer en meer wordt vooral in de verzorgende beroepen elke behandeling in minuten in schema's en rapportage vastgelegd.

De burger mag verwachten dat de overheid niet voor elke actie zwicht. Maar het kabinet maakt zich er wel wat erg gemakkelijk van af als het alleen meedeelt dat er geen extra geld is. Op z'n minst zal het eigen suggesties serieus moeten uitwerken, zoals die om bedragen die voor latere jaren op de begroting staan naar voren te schuiven teneinde deze te kunnen aanwenden ten behoeve van een beperking van de werkdruk. Voor de collectieve lastendruk, gerekend over de hele kabinetsperiode, maakt dat geen verschil. Bovendien zal het kabinet nu eindelijk eens moeten komen met voorstellen voor een nieuw stelsel van CAO-overleg in de collectieve sector.

DAARNAAST ZAL er ook op het psychologische vlak het een en ander moeten gebeuren. Het mag niet zo zijn dat juist de beroepen waaraan maatschappelijk zo'n grote behoefte bestaat de minste aantrekkingskracht hebben op werkzoekenden. Overheid en werkgevers in de gezondheidszorg moeten samen actie voeren om het aangetaste imago van de zorgsector weer op te vijzelen.