Zorg en onverschilligheid voor openbare ruimten in de stad

DEN HAAG, 30 mei Juist in het land met de minste regels heeft het urban design een hoge vlucht genomen. De weinige regels die er zijn in San Francisco, Chicago, New York worden stringent, maar creatief toegepast. De Nederlandse overheid beschikt daarentegen over een grote hoeveelheid regels, maar voert een architectuurbeleid laissez-faire. Dit is een van de conclusies van het rapport 'Architectuurbeleid in acht steden', dat morgen in Den Haag wordt gepresenteerd op een symposium over gemeentelijk architectuurbeleid.

Voor dit rapport, resultaat van de eerste onderzoeksopdracht van VROM aan het Nederlands Architectuurinstituut, spraken stedebouwkundigen Donald Lambert en Winfried Janssen en architect Matthijs de Boer met politici, ambtenaren, architecten en projectontwikkelaars in San Francisco, Chicago, New York, Toronto, Barcelona, Parijs, West-Berlijn en Londen. Waaraan was het te danken, wilden ze weten, dat in deze steden 'welsprekende, waardevolle, internationaal attractieve architectuur en stedebouw' is ontstaan? Een hoofdstuk met aanbevelingen voor Nederland zoekt men tevergeefs, maar tussen de regels door wordt wel duidelijk dat Nederland lang niet alle kansen aangrijpt. De prijsvraag bijvoorbeeld, het middel bij uitstek om de bouwkunst te stimuleren, zou hier nog 'onderontwikkeld' zijn. 'De Franse overheid heeft zichzelf sinds 1975 verplicht voor alle openbare gebouwen prijsvragen uit te schrijven, ' vertelt Winfried Janssen. 'Zo houdt zij een zekere greep op de bouwkunst en stelt ze een voorbeeld aan particulieren.'

Voor prestigieuze projecten op ingewikkelde locaties, bijvoorbeeld de Grands Projets van de Opera en de piramide van het Louvre, heeft Parijs internationale prijsvragen georganiseerd die record-aantallen deelnemers uit over de hele wereld trokken. Parijs steekt overigens wat architectonische activiteit betreft met kop en schouders boven de rest uit. 'Met de Grands Projets zijn bedragen gemoeid van een a twee miljard gulden de orde van grootte van de Deltawerken.'

Nergens bouwen er zo veel buitenlandse architecten als in West-Berlijn. Het leeuwendeel van deze opdrachten komt voort uit de Internationale Bauaustellung (IBA), een grootscheepse manifestatie van hedendaagse architectuur die voor een 'kritische reconstructie' van de stad moet zorgen. De prijsvraag, net als in Frankrijk een ingeburgerd beleidsmiddel, is bij de IBA op grote schaal toegepast. Maar een wat in Parijs in twee a drie kan, kost in Duitsland vanwege een logge bureaucratie vijf tot zes jaar. Janssen: 'In Berlijn probeert men via de institutionele structuren de kwaliteit van de plannen te bewaken. Dat is een heel andere aanpak dan in Parijs, waar de belangrijke projecten door de 'zeef' van de jury en monsieur le President zelf gaan, of in Barcelona, waar de overheid het moet hebben van goede persoonlijke contacten en het 'harmonie-model'. Dat de grote hoeveelheid nieuwbouw van de IBA ooit van de grond is gekomen, is te danken aan het werk van enthousiaste enkelingen.'

Pleinen

Een centrale figuur in de inrichting van de openbare ruimte in Barcelona is de architect Oriol Bohigas. Hij is hoogleraar bouwkunde, bezit heeft een eigen ontwerpbureau (MBMP), dat verantwoordelijk is voor het ontwerp van het Olympisch dorp. Bohigas is jarenlang hoofd stadsontwikkeling geweest en de motor achter de toepassing van kunst in openbare ruimtes. De beroemde pleinen van Barcelona zijn voornamelijk aan hem te danken.

Prijsvragen worden er in Barcelona nauwelijks georganiseerd, ook de keuze van architecten loopt via persoonlijke contacten. 'Ik ken ze allemaal, ik heb ze zelf les gegeven, ' zei Bohigas nog tegen zijn verwonderde bezoeker uit Nederland. 'Voor ons lijkt het misschien nepotisme, ' zegt Janssen, 'maar na het Franco-tijdperk lijkt deze benadering voor hen waarschijnlijk uiterst democratisch.'

Battery Park City, een groot nieuw complex bij het Newyorkse World Trade Center, valt ook op door de vooruitziende blik van het overheidslichaam dat speciaal voor dit project in het leven werd geroepen, de Battery Park City Authority. 'Die heeft ervoor gezorgd dat lang voor de bouw begon, mooie straatjes werden aangelegd, compleet met bomen, straatlantaarns en bankjes aan de Hudson. Daarachter stond toen alleen een enorme bouwput, ' vertelt stedebouwkundige Donald Lambert. 'Als voor het Amsterdamse IJ-oever-project ook zo'n constructie was gekozen, had er allang een prachtige boulevard gelegen. Zo laat de overheid zien: dit willen we met dit gebied bereiken. Voor de projectontwikkelaars is deze aanpak ook gunstig, want de waarde van de lege kavels gaat bij voorbaat omhoog.' In Chicago meent de lokale overheid niet veel te hoeven stimuleren: men is er toch al trots op het architectonische erfgoed, ontdekte Matthijs de Boer. 'Projectontwikkelaars sparen geld noch moeite, ze steken elkaar naar de kroon om huurders met architectuur te lokken. Dat is natuurlijk een beperkte opvatting van architectuur, louter als toegevoegde waarde op de markt. Wel is er in Chicago een levendige architectuurdiscussie. Daar staat tegenover, dat men door deze neiging tot zelfingenomenheid, de controle over de openbare ruimte te lang heeft laten lopen.' In San Francisco daarentegen is de controle op de openbare ruimte het strengst, niet alleen van deze acht steden maar ook in vergelijking met Nederland. In 1985 nam de stad het 'Office Growth Limitation Program' aan, waarbij elk jaar opnieuw wordt gekeken of er kantoorruimte in de binnenstad bij mag komen en of het ontwerp wel 'goed' genoeg is. 'Projectontwikelaars klagen steen en been over wat ze de beauty contest noemen', aldus De Boer. 'Volgens hen spelen er vaak persoonlijke of politieke overwegingen mee die niets met architectuur te maken hebben. Men heeft bovendien het gevoel dat er een ingebakken afkeer van hoge gebouwen bestaat. Toch willen ze er allemaal zo dolgraag bouwen, dat ze bereid zijn aan die hoge architectonische eisen van de overheid te voldoen.'

No cure no pay

Ook tot de verbazing van de onderzoekers zelf blijkt Nederland er een betrekkelijk ongestructureerd architectuurbeleid op na te houden. Donald Lambert signaleert enkele gevaren voor de Nederlandse architect. 'Het systeem van no cure-no pay vind je alleen bij Nederlandse opdrachtgevers, terwijl we geneigd zijn te denken dat het keiharde Amerikaanse manieren zijn. Voor overheidsopdrachten in de Verenigde Staten, gaat het kiezen van de architect gestructureerder. In Nederland is het veel moeilijker voor jonge architecten aan de bak te komen. Het beroep van architect heeft in de meeste andere landen een hogere maatschappelijke status. Daarnaar worden architecten ook betaald. In Nederland is het beroep niet eens wettelijk beschermd.' Op een gebied dwong het Nederlandse beleid bewondering af bij de buitenlandse gesprekspartners: in ons land wordt relatief veel geld besteed aan onderzoek dit rapport, bijvoorbeeld. Maar met onverholen sarcasme concluderen de drie onderzoekers in hun rapport dat Nederland op een gebied alle concurrenten verslaat: de 'snelheid' van het architectuuronderwijs. 'In de bezochte steden bleek het niet mogelijk om zoals bij ons in vier jaar tijd tot volwaardig en erkend architect te worden opgeleid.'