ZELFZUCHTIGE EIGENAREN, BEVLOGEN JOURNALISTEN

Fraude, wanbeleid en leugens zijn riskante activiteiten voor iedere ondernemer. Voor bestuurders van grote media-concerns zijn ze extra gevaarlijk: ze lopen een verhoogd risico dat twee werknemers de geheimen van de directiekamer boven tafel krijgen en als een spannende roman aan de wereld prijsgeven.

Het voormalige hoofd van de afdeling onderzoeksjournalistiek van het Amerikaanse persbureau United Press International (UPI) nam samen met een collega zijn eigen werkgever onder de loep. Het resultaat is het meeslepend epos Down to the Wire; UPI's Fight for Survival waarin zelfzuchtige eigenaren en incompetente managers het tweede persbureau van de Verenigde Staten aan de rand van de afgrond brengen.

In de staccato stijl - eigen aan telexberichten - ontvouwen de auteurs, die de publikatie met ontslag moesten bekopen, hoe het wereldomspannende concern met 6000 werknemers en 5000 klanten in een neergaande spiraal belandde. In een tijdperk waarin met informatie goud te verdienen valt, liepen de verliezen bij het persbureau in de tientallen miljoenen, daalde het personeelsbestand tot 1000 journalisten en zegden de meest prominente klanten zoals de New York Times en de Chicago Tribune na jarenlange ergernis hun abonnement op.

Op basis van ruim 700 interviews reconstrueren speurneus Gregory Gordon en redacteur Ronald E. Cohen hoe het persbureau van een geduchte concurrent verpieterde tot een media-dwerg. Verhalen over machinaties aan de top van het bedrijf worden daarbij afgewisseld met talloze anekdotes over journalistieke hoogstandjes van UPI-journalisten; de slaven van de actualiteit die het bedrijf de roem verleenden waarin de successieve eigenaren zich rondwentelen.

Radicaal

UPI werd geboren als underdog. De legendarische E. W. Scripps haalde zich in het begin van de eeuw de ergernis van het Amerikaanse media-establishement op de hals met een keten van radicale pro-vakbondskranten waarin ongezouten kritiek werd geleverd op politieke corruptie. De schreeuwerige kranten van Scripps, de Pennie Press, werden door de gerenommeerde media gedwarsboomd door ze het lidmaatschap van het machtige Associated Press (AP) te ontzeggen. AP werkt als een collectief van alle belangrijke Amerikaanse kranten die elkaar kopij ter beschikking stellen en gezamenlijk betalen voor een uitgebreid netwerk van verslaggevers.

Met een handvol correspondenten die dagelijks 50 velletjes A-4 in morse doorgaven via gehuurde telefoonlijnen, probeerde Scripps in 1907 het monopolie van AP te breken. Het initiatief van Scripps gaf Amerikaanse kranten het voordeel van twee onafhankelijke nieuwsbronnen, die concurreren met tariefsverlagingen en er alles aan doen om elkaar primeurs af te vangen. De allesoverheersende drang van de UPI-journalisten om seconden sneller te zijn dan concurrent AP leverde een schat aan heroische anekdotes op, evenals hartverscheurende blamages.

Op 22 november 1963 reden UPI's Merriman Smith en concurrent Jack Bell van AP samen in een auto achter de open limousine van John F. Kennedy. Toen het eerste schot werd gelost, dook Smith naar voren en greep naar de enige telefoon die in de perswagen aanwezig was: luttele seconden na de aanslag kwam het nieuws binnen in redactielokalen over de hele wereld. Op de UPI-telex. Terwijl de chauffeur van de pers-auto als een gek door de straten van Dallas scheurde, vloog Bell zijn triomfantelijke concurrent naar de keel omdat die de telefoon niet wilde prijsgeven. Sindsdien volgen de journalisten van beide persbureaus de president van de Verenigde Staten in hun eigen auto.

De race tegen de klok leidt echter ook tot embryonale geschiedvervalsing. De Eerste Wereldoorlog eindigde, afgaande op de telex van UPI, al op 7 november 1918, vier dagen te vroeg. En volgens een bericht van AP werd Gerald Ford de 'runningmate' van Ronald Reagan in diens eerste gevecht om het Witte Huis. Het bureau herstelde de blunder snel, maar niet voordat de Chicago Sun Times de kop 'Reagan-Ford' in kapitalen op de voorpagina had gezet.

Financieel zorgenkind

De primeurs van UPI en de blunders van AP gaven de nieuwsdienst van Scripps journalistiek aanzien maar Amerikaanse kranten weigerden om voor UPI dezelfde tarieven te betalen als voor AP. In het midden van de jaren zeventig betaalden grote Amerikaanse kranten AP ruim twee keer zoveel voor vergelijkbare diensten als UPI. UPI was daarmee van meet af aan een financieel zorgenkind; een status die het bureau nooit heeft verloren. De verliezen werden gedurende decennia door Scripps gedekt.

Eind jaren zeventig liepen de tekorten steeds verder uit de hand: twee miljoen dollar in 1970 tot twaalf miljoen in 1980. Het persbureau was toen formeel eigendom van de erfgenamen van Scripps, die in navolging van grootvader UPI's verlies jarenlang met de mantel der liefde hadden bedekt. De familie zag echter in dat het niet langer meer kon en besloot een suikeroom te zoeken voor UPI. Vanaf dat moment werd het persbureau speelbal van breedsprakige financiers, die in het vermaarde UPI een prestigieus bezit zagen, maar die onvoldoende geld aan modernisering konden of wilden spenderen.

Serieuze kopers waren er echter niet. In 1982 betaalde het Scripps-concern twee kleine ondernemers met een grote fantasie uit Nashville (Tennessee) maar liefst vijf miljoen dollar om het verliesgevende concern over te nemen. Doug Ruhe en Bill Geisler traden aan met de belofte de grandeur van UPI te herstellen.

In plaats daarvan initieerden de nieuwe eigenaren het ene verliesgevende project na het andere, sluisden ze miljoenen dollars van UPI naar hun eigen bedrijfje en lieten ze de exploitatietekorten verder uit de hand lopen. Journalisten met een lange staat van dienst werden ontslagen, de toch al magere lonen van het overige personeel werden bevroren, terwijl een cordon vriendjes van de eigenaars tonnen opstreken voor waardeloze 'bedrijfsadviezen'.

Schuldeisers

Drie jaar na de komst van Ruhe en Geisler hing het voortbestaan van UPI aan een zijden draad: ongeveer 1500 crediteuren hadden gezamenlijk een claim van ongeveer 45 miljoen dollar op het bedrijf. De schuldeisers varieerden van telecommunicatiegigant AT en T die zes miljoen dollar eist tot een schooljongen uit Indianapolis die nog 400 dollar kreeg voor de verslagen van tweehonderd base-ball wedstrijden, die hij voor UPI had gemaakt.

Om de schuldeisers ervan te weerhouden het bedrijf het faillissement in te drijven, vroeg directeur Louis Nogales het faillissement zelf aan en forceerde de eigenaren na een gecompliceerd machtsspel het persbureau op te geven. Ruhe en Geissler hebben nooit een cent in het bedrijf geinvesteerd.

Het belang van het persbureau voor de pluriformiteit van de Amerikaanse media was de redding voor UPI: Nogales kreeg van de faillissementsrechter de kans om een nieuwe eigenaar te zoeken. De rechter voelde er niet veel voor om de geschiedenis in te gaan als de beul van Amerika's erfgoed.

Het persbureau viel vervolgens ironisch genoeg in handen van een buitenlander, die het Engels niet beheerst en rijk is geworden in een land waar het met de persvrijheid niet altijd even nauw wordt genomen: de Mexicaanse media-magnaat Mario Vazquez-Rana. Ook Rana beloofde UPI in de oude luister ter herstellen en er een stabiele onderneming van te maken.

Rana begon aan zijn nieuwe taak met een achterstand. Zijn nationaliteit viel slecht, evenals de keuze van zijn persoonlijke adviseurs - een was een voormalig CIA-medewerker met zakenrelaties in blank Zuid-Afrika. Ook ontstond onduidelijkheid over de herkomst van zijn fortuin en werd in media-kringen getwijfeld aan zijn integriteit. In de eerste maanden werd bovendien duidelijk dat hij geen tegenspraak duldde en dat hij zijn media gebruikte voor zijn persoonlijke promotie. Met de UPI-journalisten was het haat op het eerste gezicht. Drie jaar later in 1988 en ruim zeventig miljoen dollar lichter, verkocht Rana UPI aan de voormalig hersenchirurg Earl Brian.

Droom

De droom was voorbij, de kruistocht verloren, concluderen de auteurs op de laatste pagina's voorbarig. Alerte krantenlezers kan het niet zijn ontgaan dat UPI nog steeds dagelijks kranten over de gehele wereld - waaronder NRC Handelsblad - voorziet van haastig gedicteerde berichten. Het bedrijf is zelfs langzaam uit de rode cijfers gehaald, onder andere door de informatie die UPI vergaart ten behoeve van de media voor veel geld te verkopen aan zakenmensen.

Ook cirkelen beleggers van divers pluimage nog onophoudend rond de aangeschoten prooi. Onder hen bevindt zich sinds vorig jaar ook de Nederlander Jan Kuiten, die een fortuin verdiende met het automatiseringsbedrijf HCS Techonology. In maart vorig jaar deed een dochteronderneming van Kuiten en voormalig VNU-directeur J. Niks een vijandig bod op de huidige moeder van UPI, Infotechnology. De holdingmaatschappij, waarin naast UPI nog andere bedrijven van hersenchirurg Brian zijn ondergebracht, verloor toen 7,8 procent van het geplaagde persbureau aan de Nederlandse belegger. Een woordvoerder van Kuiten in Nederland wilde niet zeggen hoe groot het Nederlandse belang in UPI nu is.

UPI strijdt nog steeds om zijn bestaan. De berichten die het over zichzelf de wereld in stuurt getuigen soms van optimisme: 'Zes nieuwe correspondenten voor Oost-Europa'.

Soms roepen ze slechts vraagtekens op over de stabiliteit van de onderneming: 'Zesde directeur in acht jaar verlaat persbureau op 31 maart.' Helaas vragen de auteurs zich niet af of er wel een markt voor UPI bestaat. De grote Amerikaanse media-concerns bleken op het cruciale moment niet voldoende interesse te hebben om UPI over te nemen; belangwekkende toespraken over het belang van UPI voor de pluriformiteit van de pers ten spijt. Daarnaast weigerden ze consequent om voor de diensten van UPI een volwaardig tarief te betalen.

Gorden en Cohen zoeken de oorzaken van de UPI's malaise hoofdzakelijk bij het deplorabele management en suggereren daarmee dat er voor UPI een rooskleurig toekomst bestaat mits er een competente directie komt. De vraag is echter of de groei van Reuters en de opkomst van kleine gespecialiseerde nieuwsdiensten als die van de New York Times het gras niet definitief voor de voeten van UPI hebben weggemaaid.

Down to the Wire; UPI's Fight for Survival Auteurs: Gregory Gordon en Ronald E. Cohen. Uitgever: McGraw-Hill. Prijs: 47,50 gulden.

ISBN : 0 07 023804 9