WEG VAN HET ZINKENDE SCHIP; Balten bouwen toekomst op eeneconomie die niet bestaat

De Baltische staten willen niet ten onder gaan met het zinkende schip dat Sovjet-Unie heet. Maar waarop kunnen ze bouwen? 'Zelfs bij een volledige blokkade zijn de Balten veilig', hoopt de optimist. 'In feite is de Baltische economie non-existent', weet de pessimist. Reportage uit Estland en Letland.

Weg van het zinkende schip, dat is de diepste drijfveer die de Balten doet verlangen naar de vrijheid. Zo ooit de kans zich voordeed, dan nu, na vijftig jaar bezetting. Van een afscheiding is geen sprake; we zijn ingelijfd, we hebben ons nooit aangesloten bij de Sovjet-Unie, zeggen de Balten. Met economische onafhankelijkheid - die vorig jaar moeizaam is bevochten in de Opperste Sovjet, het parlement van de Sovjet-Unie - nemen ze alleen geen genoegen, ze willen politiek onafhankelijk zijn, ze willen soeverein zijn, volkomen vrij. Ze weigeren koppig het besluit in te trekken dat de grondwet van de Sovjet-Unie ongeldig is op hun grondgebied. Erkenning door het buitenland, daarop is eigenlijk alleen nog het wachten.

Iedereen die het vrijheidsverlangen deelt, en dat is de meerderheid, gelooft dat blijvende afhankelijkheid van Moskou zal betekenen dat men met de Sovjet-Unie ten onder gaat. Men houdt ook serieus rekening met een burgeroorlog, tenslotte is het verzet onder de Russische minderheid, die nog twee weken geleden op precies dezelfde avond met een paar duizend man sterk het regeringsgebouw in Tallin en het parlement in Riga bestormde, dreigend aanwezig.

In Tallin, de hoofdstad van Estland, worden nu vitale gebouwen voortdurend bewaakt door mannen van het Volksfront, de Baltische onafhankelijkheidsbeweging. In kleine groepjes, met banden in de blauw-zwart-witte kleur van de nationale vlag om hun arm, houden ze, gewapend met walkietalkies, de omgeving scherp in de gaten. De bestorming, die als een nachtkaars uitging toen de de aan de regering loyale bevolking massaal was toegestroomd na een oproep op radio en tv, was georganiseerd door de KGB in Moskou, zegt dr. Olev Raju, lector aan de Universiteit van Tartu, de tweede stad van Estland. Bewijzen heeft hij niet, maar iedereen weet dat, zegt hij. De tegenstanders van de onafhankelijkheid noemen zich 'Internationalisten', volgens hem vooral Russen, lieden die voor hun mooie baantje vrezen of, ernstiger, nog geloven in het communisme onder Sovjet-leiding. Ook de recente stakingen bij bedrijven in Estland zijn volgens hem door de KGB georganiseerd, niet de plaatselijke KGB, maar de KGB in Moskou. Die zou aan de werkonderbrekers vijf keer het loon uitkeren voor elke stakingsdag. Of de Russische minderheid wapens heeft? Hij weet het niet.

Verboden stad

Tartu (120.000 inwoners), met de auto tweeenhalf uur rijden van Tallin door een licht glooiend, weidegroen landschap zonder vee, was tot voor kort verboden stad voor buitenlanders. Vlakbij liggen nucleaire militaire installaties, Moskou heeft het onlangs bevestigd en zou, uit vrees voor de instabiele toestand, nu bezig zijn met ontruiming. De universiteitsstad (5.000 studenten), door de communisten altijd gevreesd om zijn radicale professoren en studenten, is nu de bakermat van de onafhankelijke vakbonden in Estland. Albert Danilson, een vriendelijke vijftiger, vakbondsadviseur, ontvangt in een oud, vervallen gebouwtje waar het stinkt naar kattepis. Het is de zetel van het plaatselijke Volksfront. Het oogt als een Nederlands aktiecentrum uit de beginjaren zeventig, affiches aan de wand, folders op een tafeltje, uitgeleefd. Er is in de regio een staking uitgebroken onder vrachtwagenchauffeurs en de stakingsleider komt net binnen.

In Tartu en omgeving heeft de bond in de afgelopen vier maanden vijfhonderd leden ingeschreven, bij twintig bedrijven, op een totaal van drieduizend chauffeurs. 'De officiele bonden, die beweren in heel Estland 800.000 leden te hebben, vertellen leugens over ons', zegt Danilson. Ze maken volgens hem de arbeiders wijs dat leden van onafhankelijke bonden bij ziekte geen uitkering krijgen. De officiele bonden zijn zenuwachtig, legt hij uit. Werkgevers zijn ook lid van die bonden, die de banen verdelen, wat de onafhankelijke bonden beslist weigeren; ze willen niet voor werkgever spelen, zegt hij.

Veel arbeiders hebben nog drempelvrees, ontgoocheld als ze zijn door het politieke systeem. Ze zijn volgens Danilson bang dat het oude systeem terugkeert, het stalinisme weer de kop opsteekt, vooral onder ouderen leeft die angst. 'Ze hebben geen motivatie meer, geen levenslust, gewend als ze nu eenmaal zijn om orders aan te nemen. Ze wachten hun pensioen af', zegt hij. Nodig is dat jongeren in de bedrijven de leiding overnemen, daarvoor vechten hij en zijn vakbonden ('Hoewel het niet echt ons werk is, natuurlijk'). In de het gevormde regering zitten volgens hem nog steeds corrupte politici die tegen wetgeving zijn om de monopolies van de staatsbedrijven te breken.

Tot de voorstanders van zo'n wet behoort Inn Roose, vice-minister van economische zaken, zetelend in een modern, westers uitziend gebouw in Tallin. Hij lijkt het evenbeeld van Lenin. Voor een groepje Amerikaanse journalisten op leeftijd (The Baltimore Sun, The Journal Gazette uit Fort Wayne, en dergelijke) dat Tallin aandoet, legt hij uit dat doorbreking van de monopolies de vrijheid vergroot en een eind maakt aan de kwetsbare handelsrelaties met de Sovjet-Unie, waarvan nu Litouwen het slachtoffer wordt. Gevaar is wel dat bedrijven, zodra ze zich verzelfstandigen tot kleinere eenheden, zich afwenden van de officiele economie en (zoals nu al op grote schaal gebeurt in de Russische republiek) hun geluk gaan zoeken in de zwarte economie - anders dan de officiele economie zeer goed georganiseerd, zij het volledig in handen van de maffia.

Maffia

In Estland is de maffia sinds twee jaar bezig haar tentakels uit te slaan. Hoe groot de zwarte economie is, weet niemand; niemand heeft zelfs een goed inzicht in de officiele economie. Cijfers moeten met een korrel zout worden genomen. In Estland staat 75 procent van de totale produktie onder controle van Tallin, zegt Vitsur Heido. Hij is adviseur voor economische hervormingen van de regering in Estland. Hij zit achter een volmaakt leeg bureau in het regeringscentrum, boven het vervallen, maar nog prachtige, geheel uit de renaissance daterende stadscentrum van Tallin (500.000 inwoners). De 130 resterende bedrijven vallen nog direct onder Moskou - nadat begin dit jaar, na 'extreem intensieve onderhandelingen', van de 183 Russische bedrijven er 52 aan de Esten zijn teruggegeven. De Russische bedrijven werken vooral voor militaire doeleinden.

Heido ('Ik ben nooit lid geweest van de communistische partij') schat dat de maffia vooral aktief is in de prostitutie, wapenhandel, afpersing van cooperaties, maar niet in de produktie-sfeer. Veel last van de politie ondervinden de zwarthandelaren ('afkomstig uit de Sovjet-Unie') daarbij niet, zegt hij. 'De politie is Russisch, incompetent en agenten worden omgekocht met steekpenningen'.

Sinds twee weken heeft Tallin een eigen, uit Esten gevormde politiemacht.

Ons probleem, zegt Heido, is dat we zo sterk vervlochten zijn met de Sovjet-economie. Er bestaat helemaal geen handel, produkten worden simpel gedistribueerd. 'Van onze grondstoffen en van onze produkten verdwijnt veertig procent naar de Sovjet-Unie.'

Meer dan vijftig procent van de elektriciteitsproduktie is bestemd voor de miljoenen-agglomeratie Leningrad, zonder dat Estland er iets voor terugkrijgt. Van het totale bruto nationale produkt (schatting: twaalf miljard roebel) wordt minder dan vijfhonderd miljoen roebel naar het Westen geexporteerd. Al acht maanden wordt nu gewerkt aan wetgeving voor de economische autonomie, maar, zegt Heido, praktische stappen om de produktie te verhogen zijn niet gezet. De economische hervorming kan volgens hem alleen worden doorgevoerd, als de sterke, knellende banden met de Sovjet-economie worden doorgesneden.

De afhankelijkheid van de Sovjet-economie wordt nog het sterkst gevoeld door de massale toevloed aan roebels. Ondanks de economische problemen waarmee Moskou kampt, draaien de geldpersen op volle toeren. Omdat de Baltische republieken betrekkelijk welvarend zijn (gemiddeld loon 276 roebel tegenover tweehonderd roebel in de Sovjet-Unie, twee maal zo hoge arbeidsproduktiviteit, winkels niet helemaal leeg) zoeken veel Sovjet-burgers daar hun geluk. Vooral militaire officieren trekken zich er terug na hun pensioen. Vorig jaar vestigden zich in Estland per saldo tienduizend Russen op een bevolking van anderhalf miljoen (dertigduizend kwamen, twintigduizend gingen). Een manier om de economie tegen de stroom roebels te beschermen is de invoering van een eigen munt. Zowel in Estland als in Letland wil men daar nog dit jaar toe overgaan.

Krediet

In Estland komen alle kredieten voor de bedrijven van Moskou, in Letland is dat zeventig procent. Vaak zijn het niet eens kredieten, maar is het geld dat nooit wordt terugbetaald. Een van de duizend en een wonderen van de Sovjet-economie, zegt Heido. Volgens een vorig jaar aangenomen wet in de Sovjet-Unie zouden de bijkantoren van de vijf grote Sovjet-banken (voor landbouw, woningbouw, gemeenten, sociale uitgaven en buitenlandse handel) overgaan in handen van de republieken. Krachtig verzet van de Gosbank, de staatsbank in Moskou, deed het Kremlin begin dit jaar besluiten dat Estland van maar twee banken de bijkantoren zou krijgen. 'Nu is het mei en zelfs deze banken zijn nog niet in onze handen', klaagt Rein Otsason, president van de nationale bank van Estland. Naar de rechter stappen om tegenover Moskou zijn gelijk te halen kan hij niet ('Zo'n rechter is er niet').

Zijn collega in Riga, Ozolinsh Janis, vice-voorzitter van de nationale bank van Letland, heeft dezelfde klacht. Bovendien heeft Moskou 3,5 miljard roebel aan tegoeden van Letten om niet opgegeven redenen bevroren. Klanten die geld willen opnemen bij banken in Letland krijgen te horen dat Moskou geen geld stuurt. Sinds vorig jaar heeft Moskou ook alle financiele transacties met het buitenland gecentraliseerd. Baltische bedrijven die zaken doen met het buitenland hebben wijselijk besloten rekeningen te openen bij Scandinavische banken, meldt de Engelstalige krant The Estonian Independent.

Litouwen leert dat we zeer voorzichtig moeten opereren richting Moskou, zegt regeringsadviseur Heido. 'Voor twintig liter benzine betalen ze daar nu al veertig roebel, wij vier. Sommige produkten hebben daar niet eens een prijs meer omdat ze niet langer verkrijgbaar zijn. Invoeren van een eigen munt is niet zo makkelijk als de bankpresident wel denkt. We hebben geen valuta-reserves. We zouden met de privatisering van de staatsbedrijven kunnen beginnen, maar zolang we van de Sovjet-Unie economisch afhankelijk zijn, doen we er beter aan eerst normale verhoudingen met Moskou te creeren. We zullen hen in roebels moeten blijven betalen, dus is het duidelijk dat we geen onafhankelijke economische politiek kunnen voeren.'

Levensstandaard

Invoering van een eigen munt heeft niet de bedoeling de handel met de Sovjet-Unie te beperken, zegt de Estse bankpresident Otsason. Wij blijven onze produkten aan hen in roebels verkopen, zo goed als zij dat zullen doen. 'We hebben die handel hard nodig.'

De nieuwe munt is voor intern gebruik, om de destabiliserende invloed van de roebel op de eigen economie een halt toe te roepen, om de eigen kredietverlening te verzorgen - daarom is het ook nodig het banksysteem onder eigen beheer te brengen.

Is de bevolking voorbereid op de economische veranderingen? De Baltische autoriteiten menen van wel. Ze wijzen op steekproeven waaruit blijkt dat tachtig procent van de Esten bereid is een aantal jaren met een lagere levensstandaard genoegen te nemen. Ook een derde van de Russischtaligen in Estand zou dat willen (28 procent van de bevolking is Russisch). In Letland (48 procent minderheidsgroepen, 33 procent is Russisch) is 95 procent van de Letten daartoe bereid, zo verzekeren ze in Riga.

Onversneden optimist is Uldis Ziemelis, belast met de economische hervormingen van Letland op het ministerie van economische zaken in Riga, de stad met een vrijwel nog gaaf Jugendstil-centrum. Zijn ministerie is sinds kort geheel gereorganiseerd en bestaat nu volledig uit loyale ambtenaren. De blokkade van Litouwen, zo rekent hij voor, heeft vooral de Sovjet-Unie schade toegebracht, vijf roebel voor elke roebel schade aan Litouwen. Voor Moskou pakt de blokkade dan ook vijf keer slechter uit. Zelfs bij een volledige blokkade van de drie Baltische republieken zijn de Balten veilig, meent hij.

Steun

En wat de economische onafhankelijkheid aangaat, heeft hij zijn vertrouwen gevestigd op andere republieken. Zo zijn de Letten betrokken bij de aanleg van wegen in Siberie. En beschikt men daar niet over grote voorraden olie en aardgas? Kazachstan staat klaar om de Letten kolen te leveren. Ook van steun uit de Russische republiek verwacht Ziemelis veel. Er zijn sinds kort luchtverbindingen met de Scandinavische landen. Zelf heeft Letland suiker. Bijna elke week komt wel een delegatie zakenlieden uit het Westen op bezoek en heus niet alleen voor 'sight-seeing', ze onderzoeken serieus de mogelijkheden om zaken te doen. Speelgoed, meubelen, vis, wodka (Viru Kange, 58 procent) kunnen de Letten zo naar het Westen exporteren. Japanse elektronica-bedrijven overwegen hier hun geluidsboxen te fabriceren; de lonen zijn laag, er is volop hout. Er bestaan al plannen om in 1992 van de militaire haven van Liepaya aan de Oostzee een commerciele haven te maken. Na een overgansperiode van twee a drie jaar zal de economische situatie in Letland zich stabiliseren, verwacht Ziemelis. Over vijf jaar kan de verbetering van de economie echt in gang worden gezet, zo voorspelt hij.

Regeringsadviseur Heido ziet het vanachter zijn lege bureau een slag anders. 'In feite bestaat de Baltische economie helemaal niet', zegt hij, 'ze is non-existent'.

Ze is volgens hem nog het beste te vergelijken met die van de hele Sovjet-Unie: ze werkt niet meer, ze valt in stukken uiteen. De ouderen dromen verlangend terug naar de jaren voor de oorlog, toen de zelfstandige Baltische staten rijker waren dan het buurland Finland. Maar die wereld bestaat niet meer. Nu is er alleen nog het zinkende schip dat Sovjet-Unie heet.

Tegen het bezoekende groepje Amerikaanse journalisten zegt Inn Roose, de Estse vice-minister: 'Ons wordt steeds gezegd dat we te klein zijn, dat het onpraktsch is om onafhankelijk te zijn. Maar voor 1940 waren we onafhankelijk, hadden we onze eigen economie, ons eigen monteaire systeem. Toen werden we alom erkend in de wereld.'

De Amerikanen horen het verlegen aan.