Tekst en uitleg

Tot het ongetwijfeld zware takenpakket van elke minister of staatssecretaris behoort de verplichting in het parlement aanwezig te zijn als het desbetreffende deel van de volksvertegenwoordiging, meestal de Tweede Kamer, dat wenst. In het verleden is het weleens gebeurd dat een bewindspersoon ambtsbezigheden elders moest afzeggen omdat hij door de Kamer werd opgetrommeld. Eigenlijk behoort dat ook zo: in een parlementaire democratie prevaleert in beginsel de wil van het parlement.

Gisteren verscheen de minister van buitenlandse zaken, Van den Broek, vermoedelijk niet eens geheel tegen zijn zin in de Tweede Kamer om tekst en uitleg te geven naar aanleiding van de vraag of het waar was dat Nederland het enige land was dat niet (in Parijs) op ministerieel niveau was vertegenwoordigd bij de formele oprichting van de Oost-Europabank. Gelet op 'de omstandigheden' waaronder deze bank tot stand is gekomen en 'de zware agenda's' van de leden der Nederlandse regering verklaarde de minister geen aanleiding te zien voor het geven van voorrang aan een verblijf in Parijs. De VVD'er Weisglas, die een aantal vragen over deze kwestie had gesteld, zei te betreuren dat de minister thans in de Tweede Kamer aanwezig was en niet in de Franse hoofdstad een enigszins paradoxale uitspraak uit de mond van een parlementarier, maar wellicht dacht hij aan de historische woorden van Hendrik IV 'Paris vaut bien une messe'. Intussen heeft de Nederlandse regering volgens de minister nog niet beslist of zij prioriteit zal leggen bij de kandidatuur van Amsterdam als zetel voor een toekomstige centrale EG-bank, zoals de Amsterdamse burgemeester vorige week meedeelde. De minister toonde dus geen woordvoerder van een burgemeester te zijn. Misschien gaf hij wat Amsterdam aangaat de voorkeur aan de Franse overweging 'reculer pour mieux sauter'. Juridisch wellicht interessant, maar voor de buitenwereld niet erg spectaculair was gisteren in de Tweede Kamer de behandeling van een wetsvoorstel tot versterking van het instrumentarium van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen; het ging hier om een wijziging van de bestaande wet en niet (meer) om een afzonderlijk wetsvoorstel dat indertijd was ingediend onder de naam 'Tijdelijke Wet Capaciteitsreductie Ziekenhuizen'. Anders dan Kohnstamm (D66) achtte Lansink (CDA) nadere advisering door de Raad van State onnodig.

Wat de voorgenomen beddenreductie aangaat herinnerde het lid Van Otterloo (PvdA) aan het vraagstuk van 'zwarte bedden' en 'koude bedden'.

Het lid Van Middelkoop (GPV) noemde het wetsvoorstel intussen geen toonbeeld van wetgevingselegantie.