GIORGIO MANGANELLI 1922-1990; Een ik als verteller

De Milanese schrijver en journalist Giorgio Manganelli is maandag in Rome op 68-jarige leeftijd aan een hartinfarct overleden. Italie verliest haar 'moeilijkste en vermakelijkste Italiaanse hedendaagse schrijver. Wonderlijk, ironisch, polemisch, welbespraakt, polemisch... '

zo werd de van oorsprong Milanese schrijver geschreven toen vorig jaar in Italie zijn boek L'Antologia privata werd gepresenteerd. Het bevat geen persoonlijke stukken, zoals de titel suggereert, maar achterflapteksten en passages uit eerder verschenen boeken van hem. Hij had zijn vrienden terloops gevraagd welke van zijn verhalen zij het mooist vonden vonden en die bundelde hij vervolgens. De reden van dit samenrapen zou kunnen zijn dat Manganelli inzicht wilde geven in de diversiteit van zijn stijl en toon. Soms schrijft hij alsof een psycho-analiticus aan het woord is (Gli sposi), een ander keer schreef hij tot in het extreme overdreven, karikaturale portretten (Rumori o voci). Manganelli was leraar aan een middelbare school en doceerde tot 1970 aan de Universiteit van Rome. Daarna schreef hij voor de dagbladen Corriere della Sera en voor Il Messagero zowel literaire kritieken als overpeinzingen. In 1964 verscheen zijn eerste boek Hilarotragoedia onder invloed van 'neo-avangardistische' kring van Gruppo63. Het zit vol stijlfiguren, stilistische grapjes en extreem woordgebruik. Typefouten liet hij vaak zitten omdat er meestal iets grappigers ontstond dan wat aanvankelijk de bedoeling was geweest. Daarna volgen nog ongeveen vijftien boeken. Het laatste, Encomio del tiranno verscheen begin dit jaar. Van Manganelli werden in Nederland twee boeken vertaald: De roes van de briefschrijver en 99 andere gevleugelde romans. Het bevat waarnemingen en korte persoonsbeschrijvingen die hij vluchtig op de schrijfmachine tikte en waarvoor hij in Italie de 'Premio Viareggio' kreeg. Het andere boek is Uit de hel, in 1989 verschenen bij uitgeverij Contact.

Manganelli sprak niet graag over zijn eigen werk omdat hij meende dat de ander er altijd meer van wist dan hijzelf. Evenzo had hij moeite met het schrijven in de eerste persoon enkelvoud. 'Die vereenzelviging met het geschrevene vind ik onterecht, het dwingt mij de confrontatie met mijzelf aan te gaan en daar heb ik helemaal geen behoefte aan.' Hij verschuilt zich achter een io narrante, een vertellende-ik die niets met de auteur te maken wil hebben en in de Italiaanse literatuur zijn oorsprong vindt bij Petrarca en Leopardi, die ook de vonden dat er bepaalde dingen gezegd moesten worden, maar niet per se door henzelf. Manganelli zegt het mooier; hij noemt zich een getuige. 'Ik ben nergens een auteur van, een schrijver bedenkt niets.'.

Zijn teksten zouden met een droom vergeleken kunnen worden ze worden onbewust genomen, maar niet actief bedacht in de geest van een slapende mens.