EEN KLASSE VAN SCHIMMEN; Verstotelingen in de schaduw van het Japanse economische wonder

Elke morgen tussen vijf en half zeven verzamelen zich honderden, duizenden dagloners vlakbij het Tokiose metrostation Minami-Senju om in de open lucht hun spierkracht te verkopen aan de koppelbazen van de Yakuza, de georganiseerde misdaad. Zwervers, dronkaards, met in hun ogen nog de drank van gisteren en in hun handen al het eerste blikje bier van vandaag. Illegale werknemers - Chinezen en Vietnamezen - die onbekommerd langs de wijkpost van de politie lopen, omdat ze weten dat de overheid toch haar ogen toedrukt zolang de schaarste aan arbeidskrachten aanhoudt. En dertigers, veertigers, vijftigers, die alle hoop op vast werk allang hebben opgegeven.

Zij behoren tot de bijna vijf miljoen mensen voor wie geen plaats is in de sterk hierarchische, strak gereglementeerde samenleving, die door de overige 118 miljoen Japanners als klasseloos, homogeen en harmonieus wordt omschreven. Want ze verstoren de illusie van raszuiverheid, uniformiteit en maatschappelijke discipline, waarop de Japanners met graagte hun economisch succes baseren. Daarom worden ze buitengesloten, weggemoffeld, doodgezwegen. In aparte wijken hokken ze bij elkaar.

Deze verstotelingen vormen geen onderklasse, ze zijn een buitenklasse, een klasse van schimmen die voor eeuwig de toegang tot de 'normale' maatschappij is ontzegd. Zij komen niet in aanmerking voor de goede scholen, voor de goede banen, als huwelijkskandidaat voor een zichzelf respecterende Japanse. Volgens de maatschappij bestaan ze niet eens.

Zij, dat zijn de etnische minderheidsgroepen, de illegale buitenlanders, de 'Burakumin' (afstammelingen van onreine grafdelvers), leerbewerkers, slagers, die nog altijd als paria's worden behandeld. Zij, dat zijn ook de 'Hinin', letterlijk 'niet-mensen' zoals ze meedogenloos worden omschreven, de randfiguren die hebben gezondigd tegen de strenge maatschappelijke code. De wijk Sanya, rond de daglonersmarkt, is hun getto en hun toevluchtsoord.

Eer

In verveloze laagbouwhuizen, onderverdeeld in kleine vertrekken van 3,5 tatami, ruim 5,5 vierkante meter, wonen hier zo'n 12.000 mensen. Inclusief gebruik van bad en televisie moeten ze voor die slaapplaats 2.300 tot 2.400 yen per nacht betalen, bijna dertig gulden. Natuurlijk kunnen ze ook voor niks de nacht doorbrengen in de grote, stinkende, gemeenschappelijke slaaphal, maar dat doen alleen degenen die het diepst zijn gezonken - de alcoholisten, de psychisch meest verminkten, niet mijnheer Mijake; hij heeft nog altijd zijn eer. 'Mensen in Sanya vertellen niet graag over hun verleden', zegt mijnheer Mijake. 'Allemaal hebben ze wel iets te verbergen. Met allemaal is er iets aan de hand.' Sommigen hebben iets op hun kerfstok, 'een kleinigheidje, geen moord hoor', zegt mijnheer Mijake kalmerend. Anderen hebben een misstap begaan, thuis of op het werk. En weer anderen zijn bezweken onder de maatschappelijke druk van het steeds conformeren. Ze hebben afgehaakt.

Er zijn er zelfs bij die op Universiteit van Tokio hebben gezeten, de Japanse springplank naar een topcarriere, en die bij een van de gerenommeerde Japanse bedrijven hebben gewerkt, zegt mijnheer Mijake. Maar dan leenden ze geld en kwamen ze in de klauwen van een woekeraar en eindigden ze in Sanya. Mijnheer Mijake waarschuwt ernstig: 'Dat kan er met je gebeuren als je onder een slechte ster bent geboren'. Nadat hij zich op zijn huurkamertje in het zondags pak heeft gestoken - smetteloos bruin colbert, beige pantalon met vouw, blinkendbruine schoenen - vertelt hij in Jonathan's coffee shop - 24 uur per dag geopend - hoe het noodlot hem heeft getroffen. Vijfenvijftig jaar is hij, getrouwd maar gescheiden, vader van een dochter van vijftien die hij in geen drie jaar heeft gezien. Afkomstig uit Osaka, maar door het bruggenbouwbedrijf waar hij altijd heeft gewerkt naar Tokio gezonden. Daar werd hij overvallen door het faillissement van de onderneming 'en zonder geld kun je niet met goed fatsoen teruggaan naar je familie'.

Vast werk kan hij niet meer meer krijgen, want een bedrijf neemt je niet meer in dienst als je ouder bent dan 45. Sinds tweeenhalf jaar woont hij in Sanya.

Of hij misschien nog meer op zijn geweten heeft dan alleen maar een gebroken huwelijk en een gebroken loopbaan, daarover spreekt mijnheer Mijake niet. Wel noemt hij zichzelf 'de schande van de familie'. 'Dat is het ergste: dat ik mijn moeder heb teleurgesteld.'

Passend

Steeds zijn wijsvinger op zijn neus leggend als hij spreekt over zichzelf, mijmert mijnheer Mijake over terugkeer naar Osaka. 'Maar dat hoort niet; mijn moeder zou het ook niet passend vinden. Ik heb geen 'Tachiba', geen plaats in deze samenleving meer.' Daarom laat hij zijn familie met rust; contact met een Hinin, een niet-mens, zou zijn verwanten alleen maar kunnen schaden. Het enige wat hij nog voor ze kan doen, is tonen dat hij nog enig gevoel heeft voor maatschappelijke verhoudingen en zich schikken in zijn schimmenbestaan.

Materieel heeft mijnheer Mijake niet te klagen. Hij heeft uitgekiend hoe hij met zo min mogelijk inspanning een zo hoog mogelijk inkomen kan bereiken. Daarvoor moet hij elke maand veertien dagen werken en dan heeft hij nog recht op dertien dagen bijstand. Elke dag dat hij gaat werken, krijgt hij van de koppelbaas 10.000 yen plus een zegel voor zijn arbeidsboekje. Blijft hij thuis, dan moet hij dat boekje 's morgens tussen zes en half acht inleveren bij het arbeidsbureau en 's middag na een uur weer ophalen om recht te hebben op een daguitkering van 6.200 yen. In totaal verdient hij dus per maand ruim 220.000 yen, ruim 2700 gulden. 'Maar op het arbeidsbureau krijg je wel steeds te horen dat je een last voor de maatschappij bent, dat je eindelijk eens echt werk moet gaan zoeken.'

Alsof de mensen van Sanya een keuze hebben, zegt mijnheer Mijake. Iemand uit Sanya vindt nergens anders meer werk, misschien een enkele gelukkige die nog een gezin heeft, maar niet al die alleenstaande mannen die de buurt bevolken. En wie in een van de omliggende wijken een kruikje sake wil drinken, kan in de bar maar het best zijn herkomst verzwijgen. Anders wordt hij eruit gegooid.

Vrijheid 'Het gros van de mensen hier is goed', bezweert mijnheer Mijake. 'Maar onze wereld is klein. Onze wereld is alleen maar Sanya, tv-kijken, drinken. Het is moeilijk om niet verder af te glijden. Wij zijn de 'ochikoboreta', de mensen die tenonder zijn gegaan.' Maar het leven in Sanya heeft ook zijn goede kanten. Waar anders in de Japanse samenleving vind je zo'n mate van vrijheid, zegt mijnheer Mijake. De 'salarymen', de slovers in de bedrijven zijn almaar verwikkeld in zware concurrentiegevechten, moeten voortdurend hun plaats in de hierarchie bepalen. 'Zijn ze hoger dan doen ze arrogant; zijn ze lager dan buigen ze in het stof.'

Ze kunnen zich alleen maar gedragen zoals de onderneming hen voorschrijft, ze hebben geen vrijheid, kennen geen 'warmte'. Terwijl mensen in Sanya 'kunen doen, wat ze willen'. 'Ze hebben toch geen toekomst', zegt mijnheer Mijake. Mensen in Sanya hoeven ook met niemand rekening te houden. 'In Sanya moet je alleen maar zorgen voor jezelf.' Dat wil niet zeggen dat in Sanya geen onderlinge solidariteit of vriendschap bestaat. Mijnheer Mijake heeft twee goede vrienden en die zijn belangrijk, 'heel belangrijk' zelfs. Maar als hij in het ziekenhuis zou belandde, zou hij hen niet vragen om hem te bezoeken. Juist omdat ze vrienden zijn: die val je niet lastig. 'Natuurlijk wil je ze het liefst om je heen hebben', zegt mijnheer Mijake. 'Maar iedereen heeft zijn eigen zorgen. Daar wil je de jouwe niet aan toevoegen. Daarbij hebben ze in het ziekenhuis niet graag mensen uit Sanya op bezoek.' En als hij neerslachtig is, doet hij ook dan geen beroep op zijn vrienden? 'Een keer, maar geen tweede keer. Ach, ik ben niet zo vaak neerslachtig.' Daarbij heeft de groeiende stroom illegale buitenlandse dagloners het leven van mijnheer Mijake de laatste tijd aanzienlijk opgevrolijkt, ook al geeft hij voortdurend af op die 'onhandige' Vietnamezen en die 'luie' Filippino's. Hij vindt het prachtig dat zij nu 'het zwaarste en het stomste werk moeten doen', en nog wel voor een lagere beloning. De kamertjes voor de nacht in Sanya 'kunnen ze niet eens betalen'. Zelfs schimmen willen schimmen onder zich.

En als hij het werkelijk even te kwaad krijgt, begint hij weer te vertellen over Osaka. 'Ooit zal ik hier weggaan', zegt mijnheer Mijake hoopvol. Maar voor mensen die eenmaal buiten de Japanse samenleving zijn geplaatst, is geen terugkeer meer mogelijk.