'Besteed wapengeld aan reuzenprojecten'

TOKIO, 30 mei De Japanners hebben een bestemming bedacht voor al die dollars en roebels die de Amerikaanse president Bush en Sovjet-president Gorbatsjov besparen door ontwapening. Een doel dat de wereldvrede en de Derde wereld en de economische groei en het milieu moet dienen: het 'Global Infrastructure Fund'. Dat fonds moet het beginkapitaal leveren voor 'Global Super Projects', voor grootschalige werken op wereldschaal, zoals de aanleg van een super-snelweg dwars door de Sovjet-Unie naar China, een soort moderne Zijderoute. Zoals de bouw van een waterkrachtcentrale in Zuid-Amerika die negen dammen en zeven kunstmatige meren omvat. Zoals het vruchtbaar maken van de Sahara en de Sinai-woestijn. Japanners zijn verzot op techniek en ze denken in het groot.

Tot voor kort leek het fonds niet meer dan een science fiction fantasie. Maar dat het de Japanners ernst is laten ze zien door op het hoogste niveau internationale steun voor het initiatief te werven, onlangs nog tijdens het World Economic Forum in Davos. Een 'Global Super Project'-comite onder leiding van Saburo Okito, voormalig Japans minister van buitenlandse zaken, is al begonnen met haalbaarheidsstudies. En de Japanse regering steunt de oprichting van een studiefonds.

Shinji Fukukawa, voormaligvice-minister voor handel en industrie, zegt dat het Global Infrastructure Fund een voorbeeld zou kunnen zijn voor een nieuwe internationale industriepolitiek. 'Globalism, humanism, industrialism' zal wat hem betreft het Engelstalige motto van dat tijdperk zijn. Een tijdperk waarin economische kracht de plaats inneemt van militaire macht.

Het idee voor een 'Global Infrastructure Fund' (GIF) werd dertien jaar geleden gelanceerd door Masaki Nakajima, president-directeur van het gerenommeerde Mitsubishi Research Institute. Dat was in 1977, juist tussen de twee oliecrises; de wapenwedloop reikte naar een hoogtepunt, de economie zat in het slop.

De wederopbouw na de oorlog en de militaire technologie die in toenemende mate haar weg vond naar civiele produkten, hadden ruim twintig jaar lang voor een ongekende economische groei gezorgd. Maar de bewapeningswedloop ontpopte zich geleidelijk als een rem op de economische ontwikkeling, meent Nakajima. Dat kwam doordat de militaire uitgaven een steeds groter beslag legden op de overheidsbudgetten van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie meer dan 8 procent van het bruto nationaal produkt waardoor de financiele positie van die landen werd ondermijnd. Dat kwam ook doordat de militaire technologie niet langer de drijvende kracht was achter de civiele techniek maar juist andersom, de industriele betekenis van de militaire produktie nam af. Het resultaat was een diepe, mondiale recessie, die volgens Nakajima diende te worden bestreden met een soort 'New Deal' op wereldschaal.

Net zoals bij de 'New Deal' van de Amerikaanse president Roosevelt in de jaren dertig moest het particuliere bedrijfsleven worden gestimuleerd door met overheidsgeld grote infrastructurele werken op te zetten. Door zulke geldinjecties zou de economische groei vooral in de Derde wereld tot ongekende hoogten kunnen worden opgestuwd. Nakajima in een toespraak: 'Als we in de Derde wereld het inkomen per hoofd van de bevolking met 1.000 dollar kunnen verhogen, zouden we een markteconomie creeren van drie biljoen dollar, gelijk aan die van de VS.' Intussen heeft de wereld bijna tien jaar van onafgebroken economische voorspoed achter de rug, de ineenstorting van het militair-industriele complex lijkt niet meer tegen te houden. Maar daarmee is het 'Global Infrastructure Fund' niet overbodig geworden, meent Nakajima. Integendeel, ontwapening alleen zou maar leiden tot verminderde vraag en verhoogde werkloosheid. Met grootschalige infrastructurele werken kunnen die negatieve gevolgen worden goedgemaakt.

En daarvoor is maar de helft van de vrijkomende middelen nodig, heeft Nakajima becijferd. Want een gulden die aan infrastructurele werken wordt besteed, heeft hetzelfde effect op de economie als twee gulden die aan het militair apparaat worden uitgegeven. De helft van het geld dat de VS en Sovjet-Unie op wapentuig besparen, zouden ze dan nog altijd kunnen benutten voor het op orde brengen van hun ontwrichte overheidsbudgetten.

Een kleine handicap is dat Japan er nog altijd niet in geslaagd is medestanders te vinden voor het 'Global Infrastructure Fund'. De olieproducerende landen die verenigd zijn in de OPEC reageerden aanvankelijk heel enthousiast. Zo wijdde Koeweit een speciale conferentie aan het fonds. Maar naarmate de invloed en de financiele armslag van het oliekartel terugliep, nam ook de animo voor steunverlening af. Sovjets en Oostduitsers toonden zich zeer geinteresseerd, maar hebben inmiddels de handen vol aan zichzelf.

Daarbij komt dat in sommige westerse landen grote bezwaren bestaan tegen de opzet van het fonds. Tegenstanders vinden de aanpak te technocratisch, te grootschalig. Ze vrezen dat 'Global Super Projects' de Derde wereld en het milieu meer zullen schaden dan goed doen.

Ten onrechte, aldus een zegsman van het fonds in wording. 'Natuurlijk zullen we de menselijke factoren bij het opzetten van de projecten niet uit het oog verliezen. En er zal geen enkel project worden uitgevoerd zonder dat de gevolgen voor het milieu zijn onderzocht.' Maar de 21 miljoen dollar die het Japanse GIF Studiefonds in kas krijgt, is niets vergeleken met de 13 miljard dollar die volgens Nakajima nodig zijn als startkapitaal voor het 'Global Infrastructure Fund'. En die 13 miljard zijn weer kruimelwerk als het erop aankomt de 'Global Super Projects' te financieren. Alleen al de bouw van een supergrootschalige zonne-energiecentrale, bij voorbeeld in het Australische woestijngebied, zou een investering van tussen de 20 en 50 biljoen dollar vergen.

Is het 'Global Infrastructure Fund' misschien toch alleen een luchtkasteel op wereldschaal? Die suggestie wordt door de initiatiefnemers verontwaardigd van de hand gewezen als de benepen visie van een kleinzielige Europeaan. Zeiden sceptici destijds ook niet dat het Panama-kanaal er nooit zou komen?