VN-rapport zet aan tot trendbreuk broeikaseffect

DEN HAAG, 29 mei Het aanpassen van alle kustverdedigingen ter wereld aan een zeespiegelrijzing van een meter kost 500 miljard dollar. De rijzing zou in het jaar 2100 het gevolg kunnen zijn van het verhoogde broeikaseffect.

Nederlandse deskundigen van het Waterloopkundig Laboratorium hebben dit berekend in het kader van een groot onderzoek van de Verenigde Naties naar de gevolgen van het broeikaseffect. De kosten hebben alleen betrekking op economisch belangrijke gebieden, dus geen dunbevolkte natuurgebieden. In het onderzoek is geen rekening gehouden met verhoogd onderhoud, effecten van sterkere zoutindringing en de toename van het aantal en de hevigheid van zware stormen. '500 miljard lijkt geweldig veel', zegt dr. ir. P. Vellinga, vice-voorzitter van de Working Group on Response Strategies, een van de drie internationale VN-werkgroepen die binnenkort officieel rapport uitbrengen over het broeikaseffect. 'Maar het is slecht 0,04 procent van het bruto wereld inkomen. Maar dijkverhoging is slechts een van de vele aanpassingen die noodzakelijk zijn.' Vellinga vertegenwoordigt Nederland op het gebied van klimaatsverandering. Hij is namens Nederland lid van de Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). In het Panel bereiden drie werkgroepen rapporten voor. De eerste houdt zich bezig met klimaatmodellen. Officieel is het rapport hiervan in augustus gereed, maar vorige week lekten grote delen voortijdig uit. De uitkomsten waren zo alarmerend dat premier Thatcher onmiddellijk haar relativerende houding opgaf en zich aansloot bij de overige Europese landen die snelle actie willen. Thatcher heeft aangekondigd dat zij de uitstoot van koolzuurgas (CO) in 2005 wil beperken tot het niveau van 1990, als andere landen dat ook doen. Nu is er nog altijd een jaarlijkse groei van 2 a 3 procent.

Vellinga: 'Thatcher heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat zij zich slechts wil baseren op officiele rapporten, niet op alarmerende uitlatingen van individuele wetenschappers. Nu is er dan eindelijk het IPCC-rapport van de VN en zij heeft zich aan haar woord gehouden, ook zij is overstag gegaan. Nu de Verenigde Staten en Japan nog en de Westerse wereld is het politiek in principe eens over het broeikaseffect.' Maar is het bevriezen van de uitstoot van CO op het niveau van 1990 werkelijk erg zinvol? Vellinga: 'Het is onvoldoende om een klimaatsverandering te voorkomen. Zou je de hoeveelheid CO in de atmosfeer stabiel willen houden, dan moet je de uitstoot beperken tot 40 procent van de huidige uitstoot, sneller kunnen de oceanen, de bossen en de vegetatie het koolzuur niet opnemen. Maar bevriezen op het huidige niveau is al een belangrijke trendbreuk.' In de scenario's van de IPCC zou bij ongewijzigd beleid iedere tien jaar de gemiddelde temperatuur op aarde gemiddeld 0,2 tot 0,5 graden stijgen. De zeespiegel zou hierdoor ongeveer 30 tot 100 centimeter stijgen, vooral als gevolg van het thermisch uitzetten van het zeewater en een klein beetje door het afsmelten van gletsjers. Vellinga: 'Van het afsmelten van Antarctica hoor je niet veel meer, men weet daar voorlopig toch te weinig van'.

In de actie-scenario's gaat men uit van stabilisering van de CO-uitworp en zelfs van reductie. In alle gevallen blijft de temperatuur op aarde toch nog stijgen, maar minder hard. Op het Noordelijke halfrond zal de temperatuur sneller toenemen dan op het Zuidelijke door de grotere landmassa's.

De tweede groep van de IPCC over de gevolgen van de verhoogde temperatuur staat onder voorzitterschap van de Rus Yuri Izrael. Uit het voorlopige rapport blijkt dat bij ongewijzigd beleid de temperatuurgrens ieder jaar drie tot zes kilometer naar het noorden verschuift. Vellinga: 'De landbouw kan zo'n verandering misschien nog wel bijhouden, maar de natuur niet. Gevreesd moet worden dat de boreale (= noordelijke) bossen niet zullen standhouden'. Uit deelstudies blijkt dat Zuid-Europa veel warmer wordt, waardoor de landbouw in problemen komt, en dat Amerika de hoge tarweproduktie niet kan handhaven. De internationale invloed van de VS, die voor een deel op graan berust, zou hierdoor kunnen verminderen.

Uit het voorlopige rapport van de derde werkgroep over de maatregelen onder voorzitterschap van de Amerikaan Fred Bernthall (en Vellinga als vice-voorzitter) blijkt echter dat de VS zich vooralsnog hiervan weinig aantrekken. Vellinga: 'De VS zeggen nauwelijks in staat te zijn tot een CO-reductie. Officieel wordt dit rapport op 5 tot 8 juni in Geneve besproken, dus er is nog een week tijd voor aanpassing. Hoewel Engeland zijn standpunt heeft gewijzigd, verwacht ik niet dat Amerika dat ook binnen een week zal doen. De conferentie in Geneve zal dus wel een soort herhaling van afgelopen maand in Bergen worden. Langzaamaan is toch vooruitgang te bespeuren. De IPCC-rapporten geven een grote consensus weer. Er zijn natuurlijk altijd eenlingen die de gevolgen van het broeikaseffect weerspreken.'