Turkse meisjes vinden de huishoudschool vervelend

Het proefschrift waarop A. D. Hupscher-Post overmorgen promoveert is het zoveelste bewijs dat in het onderwijs niet iedereen dezelfde kansen heeft. Turkse, Marokkaanse en Surinaamse meisjes komen, zo schrijft de promovenda, terecht op scholen voor voortgezet onderwijs waarvan 'de onderwijsorientatie meer overeenkomt met idealen uit de jaren zeventig dan met prestatiegerichtheid'. Dat mogen gezellige (huishoud)scholen zijn, het betekent wel dat veel meisjes verzuimen of afhaken. Het zijn geen revolutionaire constateringen. De ongelijke kansen in het onderwijs zijn een bijna traditioneel onderzoeksonderwerp. Eigenlijk verschillen onderwijsonderzoekers alleen in de oplossingen die ze aandragen en die leiden tot verschillende, elkaar vaak bestrijdende onderzoeksscholen.

De laatste, uit de Verenigde Staten overgewaaide richting heet 'effectieve school'. In plaats van te kijken naar de herkomst van leerlingen richten de onderzoekers hiervan hun aandacht op de school. Dus: zijn er goede en slechte scholen en zo ja, wat doen goede scholen om kinderen met een achterstand toch redelijke cijfers te laten halen? De effectieve schoolbeweging kwam op in de loop van de jaren zeventig en inmiddels is men zover dat er een wetenschappelijk onderbouwde definitie van goede scholen is. Op zulke effective schools zijn 'basisvaardigheden' als rekenen en taal belangrijk, heerst orde en rust, wordt van leerlingen verwacht dat ze goed hun best doen, is de beschikbare tijd optimaal benut en leidt en begeleidt de directeur zijn docenten.

Het proefschrift van Hupscher-Post getiteld 'De ene school is de andere niet' past in deze nog prille onderzoeksrichting. Hupscher-Post heeft op 17 scholen voor lager beroepsonderwijs (IHNO: individueel huishoud- en nijverheidsonderwijs, LHNO:lager huishoud- en nijverheidsonderwijs, LEAO: lager economisch en administratief onderwijs) en 3 MAVO's de verrichtingen van zo'n 1.500 Turkse, Marokkaanse en Surinaamse meisjes gevolgd. Ze keek daarbij naar verzuim, uitval, 'schoolbeleving' en eindniveau.

Tussen de scholen met de minste en die met de meeste uitval bleek een verschil te bestaan van 30 procent. De 4 in dit opzicht beste scholen hadden 21 procent uitvallers, de vier slechtste 51 procent. Ook het verzuim verschilde per school. Gemiddeld bedroeg dit 11.5 procent of 6.9 lesuren over twee weken. Het verschil tussen de vier scholen waar het meest werd verzuimd en die waar dit het minst gebeurde, was ruim 5 uur (9.5 versus 4.2 lesuren). Op het niveau van het individuele meisje bleken de scholen alleen aanzienlijk te verschillen in het niveau na 4 jaar. Dit 'eindniveau van het gemiddelde meisje' wisselde al naar gelang de school die zij bezocht met een variantie van 14 procent. De scholen die als besten uit de bus kwamen, waren scholen met een goede studie- en beroepskeuzebegeleiding. Er was veel aandacht voor verzuim. Lesuitval werd zoveel mogelijk voorkomen. De algemeen vormende vakken namen een voorname plaats in. Het waren scholen waar je 'als leerling op school hoort te zijn, zo'n hoog mogelijk examen moet halen, veel tijd aan de basisvakken moet besteden en zoveel mogelijk uren les krijgt'. De aanbevelingen achterin het proefschrift sluiten hierop aan.

Tegelijk wijst 'De ene school is de andere niet' op een gebrek in het Nederlandse onderwijsstelsel waar geen effectieve school wat aan kan doen. Veel Turkse en Marokkaanse meisjes komen op latere leeftijd naar Nederland. Omdat ze slecht Nederlands spreken worden ze verwezen naar het IHNO, in gunstiger gevallen naar het LHNO. Maar IHNO en LHNO zijn typische meisjesscholen, zonder veel uitzicht op een ander toekomstig leven dan trouwen, kinderen krijgen en het huishouden doen. De waarde van het diploma is laag, dus waarom zou je je best doen het te halen. Zodra de school te moeilijk of vervelend wordt of als thuis een beroep op de meisjes wordt gedaan, verzuimen ze. Verzuim en uitval zijn op IHNO en LHNO veel groter dan op LEAO of MAVO. Daarnaast heeft Hupscher-Post verschillen tussen de meisjes gevonden die het gevolg zijn van hun herkomst. De Surinaamse meisjes deden het het best, op de voet gevolgd door de Marokkaanse. De Turkse meisjes vielen het vaakst uit (53 procent, versus 40 procent van de Marokkaanse en 19 procent van de Surinaamse meisjes). Ook verzuimden zij het meest, gemiddeld 9.4 lesuren in twee weken. De Marokkaanse meisjes bleven in diezelfde tijd 7.6 uur weg, de Surinaamse 4.4 uur. Ze hadden de minst positieve 'schoolbeleving'. Dit is des te opvallender omdat Marokkaanse meisjes vaker analfabete ouders hebben, vaker op een IHNO-school zitten, gemiddeld ouder zijn en meestal korter basisonderwijs hebben gevolgd.

Het proefschrift geeft geen verklaring. Hupscher-Post concludeert dat 'elke etnische groep een eigen dynamiek vertoont in de wijze waarop hun confrontatie met het Nederlandse onderwijs verloopt'. Hoe het precies zit, moet nog verder worden onderzocht.