Sport uit de ooghoeken

Het prestatievermogen van topsporters neemt toe. Dat ligt niet alleen aan de ontwikkeling van nieuwe materialen zoals met koolstof versterkte fietsframes en polsstokken van glasvezel, maar ook aan verbeterde training en voedingsinzichten. Biomechanische analyses van de schaatsbewegingen dragen ook bij tot verbeteringen bij het wedstrijdschaatsen en door hoogtetraining kunnen topatleten hun duurprestatie verhogen.

Een onderzoeksgebied dat steeds meer aandacht krijgt, is de visuele waarneming bij topsport, vooral het perifere waarnemen. Het menselijk oog kan volgens sommige onderzoeken maximaal 200 graden horizontaal en 160 graden vertikaal zien. Een aanvallende voetballer kan daardoor naar de bal blijven kijken en vanuit de ooghoeken de markeringen op het veld en de positie van de verdedigers in de gaten houden. 'Via gerichte training kan men leren deze informatie nog efficienter te verwerken', zegt dr. E. Musch van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding (HILO) van de Rijksuniversiteit Gent. Het Seminarie en Laboratorium voor Bewegingsvorming- en agogiek van het HILO doet onderzoek naar perifere waarneming bij volleybal. Bij volleybal staan op elke speelhelft zes spelers die de bal met de hand over een net moeten slaan. De gebruikelijke taktiek is de bal met twee slagen bij het net te brengen.

De aanvaller zal tegelijkertijd op de bal en op de positie van de verdedigers moeten letten. Handbalspelers kunnen dat beter dan voetballers. Het is alleen erg moeilijk om deze verschillen wetenschappelijk aan te tonen. Aan perimeters (een instrument ter bepaling van de grootte van het gezichtsveld) heeft men in dit geval niets en de reguliere wedstrijdpraktijk is voor onderzoeksdoeleinden niet erg geschikt.

Voor het HILO-experiment werd er gespeeld met verschillend gekleurde ballen en truitjes in diverse kleurencombinaties (rood, wit en gestreept). Op de ene speelhelft stonden drie verdedigers, op de andere twee aanvallers. Voor de verdedigers waren er vijf vaste bewegingscombinaties, die telkens met andere kleurencombinaties werden herhaald. Een van de aanvallers moest op een vaste plek bij het net blijven staan. Telkens wanneer de bal werd opgegooid, moest hij in de richting van de bal blijven kijken en zo snel mogelijk 'ja' roepen als hij dacht een pass te kunnen geven. De bal werd dan over het net naar de kleinste verdediger geworpen.

Musch: 'We hebben met opzet een zwakke schakel in het spel gebracht om de prestaties beter te kunnen beoordelen. De aanvaller had ook een pass kunnen geven naar de positie waar geen verdediger staat, maar in de competitie komt deze situatie nauwelijks voor.'Uit het experiment bleek dat het niet uitmaakte met welke kleur bal er gespeeld werd. In feite geldt dat ook voor de truitjes. Zelfs de verdediger met het gestreepte truitje werd niet sneller dan normaal opgemerkt.

Belangrijke verschillen waren er echter wel als alle verdedigers dezelfde kleur truitjes droegen, zeker als die kleur contrasteerde met de kleur van de zaal. De aanvallers zagen de verdedigers dan eerder en hadden daar veel profijt van. In een volgend experiment hopen de Gentse onderzoekers te achterhalen met welke kleurencontrasten de beste spelresultaten worden behaald. Tijdens trainingen zou dan gewerkt kunnen worden aan de verbetering van de visuele vaardigheden.'Vroeger richtte het bewegingsonderzoek zich nogal eenzijdig op de verwerking van de visuele informatie door de hersenen, ' zegt Musch, 'hoe interessant de gegevens ook waren, trainers en sporters hadden er niets aan.'Het bewegingsonderzoek is zich wat de sport betreft steeds meer gaan concentreren op de koppeling tussen waarnemen en handelen', zegt ook Reinoud J. Bootsma van de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zo blijkt de vergroting van een naderend object op het netvlies een directe maat te zijn voor gecoordineerd motorisch gedrag bij squashers en tafeltennissers. Een beginnende tafeltennisser brengt grote variaties aan in de duur van zijn slagen, maar na enige oefening wordt het bovenlichaam steeds verder gedraaid om arm en bat zoveel mogelijk snelheid mee te geven. Ook geoefende pistoolschutters blijken zich veel functioneler te bewegen dan onervaren schutters. 'We krijgen steeds meer inzicht in die bewegingen', zegt Bootsma, 'bewegingswetenschappers en sporters zullen steeds vaker samenwerken.'

Een technisch probleem wordt in Invention Machine Lab eerst in zeer algemene zin omschreven. In dit voorbeeld wil men een stofzuiger verbeteren door de zuigkracht te verhogen. Voorkomen moet worden dat de stofzuiger niet meer kan worden voortgeduwd. Uit een menu kiest men de 'functies' kracht (intensiteit) en vermogen. Onder 'periodieke actie' suggereert het programma een aantal oplossingen, waaronder 'pulsatie'.