Ontwapening contras ontaardt in klucht

MEXICO-STAD, 29 mei Het streven van de Nicaraguaanse regering van president Violeta Chamorro om de anti-sandinistische contra-rebellen voor 10 juni aanstaande tot inlevering van de wapens te bewegen, krijgt gaandeweg het karakter van een niet ongevaarlijke klucht.

Eind vorige week kwam een delegatie van de contras onder leiding van 'commandante Ruben' naar de hoofdstad Managua om daar voor de zoveelste keer uit te leggen waarom zij zich niet aan eerdere afspraken kunnen houden en hun wapens niet zullen overdragen aan vertegenwoordigers van de Verenigde Naties en van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Afgelopen vrijdag staakten de contras dat overleg nadat zij hadden vernomen dat 17 wel ontwapende contras bij de noordelijke stad Waslala waren vermoord. De regering-Chamorro verbood de 21 leden van de contra-delegatie echter te vertrekken en legde sterke politiecordons om de twee luxe hotels waarin zij logeerden. Waarna zij in hongerstaking gingen en hervatting van hun 'patriottische strijd' in het vooruitzicht stelden. Intussen stuurde de regering een onderzoeksmissie op pad naar Waslala, waarvan ook waarnemers van de Verenigde Naties, de OAS en van de Nicaraguaanse kardinaal Obando i Bravo deel uitmaakten. Na terugkeer van de missie meldde OAS-zegsman Santiago Murray: 'Er is ons niets gebleken van een incident. De contras kunnen terug naar de onderhandelingstafel.' Commandante Ruben liet echter weten: 'Wij beschouwen ons niet meer als vrienden van een regering die ons gevangen houdt in een hotel. Het vertrouwen om verder te praten is verdwenen. Als de autoriteiten nieuw overleg willen, moeten zij maar naar El Almendro komen.'

El Amendro is een van de vijf verzamelplaatsen op 250 kilometer ten zuidwesten van Managua waar de contras worden geacht hun wapens in te leveren. Op 18 april sloten de leiders van de ongeveer 12.000 contras het zogeheten 'Akkoord van Toncontin' waarbij zij de aanstaande president Chamorro en kardinaal Obando plechtig beloofden voor 10 juni aanstaande hun wapens op vijf verzamelplaatsen in het land in te leveren bij waarnemers van de VN en de OAS. Dit in ruil voor hulp bij de wederinpassing in het burgerleven. Toen president Chamorro op 25 april direct na haar inhuldiging meldde dat zij de sandinistische minister van defensie, generaal Humberto Ortega, zelf zou opvolgen, maar dat Ortega voorlopig zal aanblijven als stafchef van de strijdkrachten, verklaarden de contras de afspraak van Toncontin 'ongeldig'. Op 4 mei beloofden de contras na nieuw overleg met de regering-Chamorro en in aanwezigheid van Kardinaal Obando en waarnemers van de VN en de OAS opnieuw dat zij voor de 10e juni hun wapens zouden inleveren. In ruil daarvoor beloofde de regering nogmaals hun veiligheid te garanderen. Bovendien zouden er speciale ontwikkelingscentra komen waar de ontwapende contras zich aan de landbouw kunnen wijden.

Nauwelijks twee weken later liet de contra-leiding alweer weten dat ontwapening er niet inzat 'wegens het klimaat van sociale onzekerheid en instabiliteit en het afnemende gezag van de nieuwe regering'. Dat sloeg blijkbaar op de ambtenarenstakingen die het openbare leven in Nicaragua medio mei enkele dagen platlegden maar die snel werden opgelost. Nadat de contras het afgelopen weekeinde hernieuwd overleg afbraken wegens een incident dat niet bleek te bestaan, zei president Violeta Chamorro zondag in een rede tot de natie: 'Ik ben blij te kunnen melden dat al 1700 leden van het Nicaraguaanse verzet (RN) hun wapens hebben overgedragen (...) en hoewel enkele leiders van de RN gisteren hun overleg met mijn regering hebben opgeschort ben ik er zeker van dat met hulp van God en de heilige Maagd alle strijders voor 10 juni aanstaande hun wapens zullen inleveren om een nieuw bestaan te beginnen.' Diplomatieke waarnemers in Managua spraken al eerder de verwachting uit dat het merendeel van de contras zich uiteindelijk zal overgeven omdat een serieuze militaire optie nu ontbreekt. De rebellen zijn immers verstoken van buitenlandse steunpunten (Honduras) en van buitenlandse militaire hulp. Maar zij hielden er ook rekening mee dat een minderheid van de contrabeweging de burgermaatschappij permanent zal blijven schuwen en zal vervallen tot een soort politiek getint banditisme in de meer afgelegen delen van het land.