Man bijt cobra.

Man bijt cobra

Van de vele honderden Amerikaanse literaire tijdschriften is Grand Street wel het meest Britse. Hoofdredacteur Ben Sonnenberg, die het driemaandelijkse blad in 1981 oprichtte, heeft een even onverklaarde als onmiskenbare voorliefde voor de Engelse letteren. Wat dadelijk opvalt aan het voorjaarsnummer is dat er weinig in staat over de Britse literatuur, maar wel veel over de Indiase. Wie beter dan Rudyard Kipling kon de schakel tussen beide zijn? Christopher Hitchens, columnist en literatuurcriticus, schreef een fors, interessant stuk over Kiplings beruchte gedicht 'The White Man's Burden', waarin de schrijver vanuit een diepe overtuiging het kolonialisme rechtvaardigde. Hij stuurde het na voltooiing in 1898 regelrecht naar Theodore Roosevelt, om hem ervan te overtuigen dat de Filippijnen bij de Verenigde Staten ingelijfd moesten worden. 'Take up the White Man's burden/ Send forth the best ye breed/ Go bind your sons to exile/ To serve your captives' need'. Roosevelt vond het 56-regelige gedicht 'rather poor poetry, but good sense from the expansionist viewpoint'. Hitchens dolf uit archieven kortgeleden twee nog ongepubliceerde gedichten van Kipling op. Deze werden in 1943 verzonden door Winston Churchill, aan Franklin D. Roosevelt! Ook Churchill stuurde de gedichten niet naar Amerika om hun schoonheid. Uitvoerig gaat Hitchens in op de politieke motieven die Churchill gehad kan hebben. Ook overweegt hij de consequenties van Churchills gebaar op een moment dat in Palestina, toen Brits mandaatgebied, joden als vrijwilligers deel uitmaakten van het Britse leger terwijl de Palestijnse Arabieren Hitler en Mussolini steunden. Het gedicht toont 'Kiplings onbehagen met joden en zijn afkeer van antisemitisme als dat niet van Engelse origine was'.

Dit artikel is een voorpublikatie uit Blood, Class and Nostalgia: How Britain Tried to Be Greece to America's Rome.

Bijzonder roerend is het verhaal 'Charming' van de Amerikaanse arts-schrijver Sanjay Kumar Nigam. Een Indiase slangenbezweerder (snake charmer) bijt zijn cobra, die hem geirriteerd met zijn vergifte tanden aanviel, in tweeen. Stomtoevallig is de westerse pers getuige van het incident en enkele uren later is de slangenman de held van de natie. Maar niet voor lang. Na een onverwachte Freudiaanse wending in het verhaal een opwindende droom over een slang wekt bange vermoedens omtrent homoseksualiteit weet de schrijver een prachtige oud-en-eenzaamsfeer op te roepen, met als dieptepunt een menigte die onverschillig wegloopt als de slangenbezweerder jaren later zijn 'man bijt slang' voorstelling wil herhalen.

Hoe nadrukkelijk Westers klinkt dan daarna een verhaal, van Stuart Klawans, waarin Tante Ida bij de post een kaartje van de geautomatiseerde synagoge vindt met de datum waarop ze dat jaar de herdenkingskaars voor haar vader moet opsteken.

Grand Street is, zoals in Nederland Het Oog in 't Zeil en Optima, gespecialiseerd in literair-historische feiten en curiosa. Hitchens had met zijn twee gedichten van Kipling de bijna steevaste trouvaille; de memoires in dit nummer zijn van oud-Faber-uitgever Ch.

Monteith, onder andere over een uniek gelegenheidsgedicht van T. S. Eliot op een grasmaaimachine. Dit nummer bevat verder onder andere aantekeningen van biograaf David Bromwich over Edmund Burke, opnieuw een stuk Homerusvertaling van Robert Fagles (zijn Iliad verschijnt binnenkort bij Viking/Penguin), en een populair geschreven artikel van Robert Newton over afstamming en geslacht van de Heilige Geest en Satan.

Voor het eerst heeft Grand Street nu een foto op zijn eenvoudig elegante omslag. Misschien wordt het langzaam ietsje meer low brow? Grand Street, Vol.9, Nr.3. 135 Central Park West, New York, NY10023 USA. 264 blz., $6.

Vergrootglas op de ziel

Vertaler Marko Fondse neemt in de nieuwe Tirade ijskoud veertig bladzijden in beslag. Zestien gebruikt hij er om op een aardige manier in drie leesrapporten de drie vertalingen te bespreken van Poesjkins 'onvertaalbare' roman in verzen Jevgeni Onegin. De versie van Elsa Catz (1949) vindt hij niet veel bijzonders, die van fysicus L. H. M.van Stekelenburg (1989) belabberd, en de vertaling van scheepsbouwkundig ingenieur W. Jonker (1989) schitterend. Twintig lange bladzijden lang koelt Fondse dan zijn woede op collega-vertaalster Yolanda Bloemen die vlak voordat de opmerkelijke prestatie van Jonker verscheen alternatieve versregels van Van Stekelenburg publiceerde en ze aanprees. Dat gedeelte kan net zo goed ongelezen blijven, leuk wordt het aan het einde weer, waar Fondse Jonkers Poesjkinvertaling, 'het origineel van een vorigineel', de hemel in prijst. De Jevgeni Onegin is door Jonkers briljante werk simpelweg ingelijfd bij de Nederlandse literatuur, beweert Fondse zelfs, en geeft hem dan het allermooiste compliment: 'Ik beleefde een van de grootste leeservaringen van mijn leven. Zo lees je eigenlijk alleen maar als je nog heel jong bent en alles gloednieuw voor je is.' Ook redacteuren Tomas Lieske en Willem Jan Otten bogen zich over de Onegin, maar niet vast medewerker Charles B. Timmer, de hoofdredacteur van Van Oorschots Russische Bibliotheek waar Jonkers vertaling in verschenen is. Vertaler Timmer is vanzelf betrokken geraakt in het Poesjkinrelletje, maar hij schrijft hier over een nieuwe, ongecensureerde en dus veel dikkere Russische uitgave van Herinneringen aan Babel, een verzameling memoires van tijdgenoten die hij vertaalt voor de Prive-Domeinreeks. 'Wat Faverey zo groot maakt, is dat hij er als enige dichter die ik ken in slaagt het niet over de ziel te hebben maar haar in taal ervaarbaar te maken, als was het muziek.'

Hans Faverey opent met vier gedichten dit nummer, redacteur Robert Anker (van hem is het citaat) schreef een aforistisch essay over schrijven en lezen. De thematiek van een literair werk komt zeker niet op de eerste plaats zegt Anker, die is voor de schoonheid 'Om die ervaring gaat het in de kunst en omdat de toegang tot het kunstwerk altijd verloopt via de vorm, is de vorm de eerst (...) Waarheid brengt schoonheid voort, schoonheid bewijst het bestaan van de waarheid. Zonder waarachtige inhoud ontstaat er geen overtuigende vorm. In zijn domheid metselt de schrijver zijn kleine kathedralen.' Een schrijver is helemaal afhankelijk van zijn vrouw, ze moet hem bewonderen, beschermen en vertroetelen 'Hij dreint als hij zijn zin niet krijgt. Hij voelt zich altijd aangevallen omdat hij geen muur om zijn ziel heeft en boven die ziel hangt een vergrootglas. Daardoor klaagt hij over pijnen die iedereen heeft en dat weet ie.' Tirade 327, 1990-2. Uitg. Van Oorschot, 102 blz. fl.15.

Altijd maar interpreteren

Rubrieken in het tweemaandelijkse blad Literatuur die steeds beter zijn geworden: Nieuws en Recensies. Vooral in de laatste komen wetenswaardigheden aan bod die voor de gewone dag- en weekbladjournalistiek vaak net iets te specialistisch zouden zijn.

Het tijdschrift doet zeker moeite de actualiteit bij te houden. In het mei/juni-nummer staat een interview met Hugo Verdaasdonk, bestuurslid van de AKOliteratuurprijs, en een column van hoogleraar Ton Anbeek over de opeens urgent geworden verhouding tussen Vlaanderen en Nederland, door al het gerommel binnen de Nederlandse Taalunie ('dat mysterieuze orgaan' zegt Anbeek, niet zonder reden) en de Stichting voor Vertalingen.

Literatuursocioloog Hugo Verdaasdonk, 'Keith Richards van de neerlandistiek', werkt aan de KUB in Tilburg. 'Interpreteren, altijd maar interpreteren. Het meest fundamentele bezwaar is dat je geen theorie hebt op basis waarvan je betekenis toekent.' Volgens Verdaasdonk bestaat literaire kwaliteit van een boek, binnen een boek eigenlijk nauwelijks. De waarde wordt voornamelijk bepaald door factoren buiten het werk: de uitgevers en de critici. De interviewer, Piet Franssen, heeft de nodige kritiek op Verdaasdonks universitaire onderzoekingen. Wie verrast het dat hoger opgeleiden bij voorkeur literaire, sociologische en historische werken blijken te kopen en lager opgeleiden liever lectuur het woord valt niet tegen hobbyboeken? Dat wisten we niet, aldus Verdaasdonk, en het betekent dat de laatste groep boeken koopt voor in de persoonlijke sfeer, de eerste meer voor buitenshuis. Spijtig genoeg zegt hij niet goed te kunnen uitleggen wat nu de zin is van het werk dat zijn Tilburgse vakgroep doet, 'terwijl ik het idee heb dat het verdomd duidelijk is'. Jac. Janssen schrijft in dit nummer over de acties van Gard Sivik en De Nieuwe Stijl; Barbara Sierman over de jaarlijkse kermissen in de achttiende eeuw. Twee lezingteksten: Myra Scholz over de prozaroman Frederick van Jenuen (1531), en A. J. Hanou over kritische, onaangepaste tijdschrijften van de Nederlandse Verlichting.

Literatuur 1990-3. Uitg. HES, 67 blz., fl.11.