Legalistische benadering van cocaineprobleem is onvoldoende; Colombia ligt allengs dichterbij

BOGOTA Eigenlijk zou rond Macondo, of Colombia zoals dat door Gabriel Garcia Marquez niet is bedacht maar op basis van de werkelijkheid is beschreven, een hoog hek moeten worden gezet. Binnen de omheining zou de grote schrijver gezeten op een uitkijkpost ons in mooie literaire beelden regelmatig moeten berichten over de situatie ter plekke. Over de generaal, de kolonel, de tovenaar en de bizarre, magische samenleving die ze er in Macondo op na houden.

Maar Colombia is niet alleen literaire fictie en zelfs een hoog hek zou ons niet afschermen van de bizarre en magische realiteit van dit land. Als het endemische geweld van Colombia ons slechts tot voyeurisme brengt, of, in het gunstigste geval, tot compassie kan bewegen, dan dwingt de toenemende export van cocaine naar Europa ons wel tot bezorgdheid en betrokkenheid. Niet omdat het om Colombia gaat, maar omdat met de komst van de cocaine ook een deel van de Colombiaanse problemen bij ons voet aan wal zal zetten.

Terecht vragen de Colombianen om meer aandacht in Europa voor de gevolgen die de cocaineproblematiek voor Colombia heeft en voor de stimulansen die Europa en de Verenigde Staten produceren voor de narco-handel in Latijns Amerika. Dit zijn de consumptie van cocaine, de faciliteiten voor het witwassen van drugsgelden en de levering (vooral uit Nederland en de Bondsrepubliek bron: de Amerikaanse DEA) van chemicalien voor de produktie van het verdovende middel.

Omdat de consumptie van cocaine in Nederland nog geen maatschappelijk probleem is gaan vormen, en de ervaringen met de gevolgen van verslaving aan andere drugs bij ons niet ongunstig zijn, is de Nederlandse betrokkenheid bij het cocaineprobleem vooral die van toegangspoort en transportland en van leverancier van chemicalien.

Nederlandse autoriteiten wijzen erop, dat binnen het maximaal haalbare van de Nederlandse wetgeving alles is gedaan om er voor te zorgen dat in Nederland geproduceerde of via Nederlandse faciliteiten getransporteerde chemicalien, in Colombia niet in verkeerde handen vallen. 'We moeten niet roomser dan de paus zijn', is het verweer op de constatering dat desondanks chemicalien van of via Nederland bij de kartels van Medellin en Cali terecht komen. De feiten wijzen immers uit, dat de betrokkenheid van andere landen en van bedrijven met andere nationaliteiten bij de cocainehandel veel groter is en onbestraft blijft.(Bedoeld wordt: dat blijkt uit de publiciteit. Dat leest u toch ook wel in uw eigen krant. Wapens uit Israel via Antigua voor het Medellin-kartel, Israelische, Britse en Australische huurlingen, drugsgelden op Amerikaanse bankrekeningen.)

Dat zo'n minimalistisch-legalistische houding volstrekt onvoldoende is, hoeft men niet te horen van de Colombianen of andere protagonisten van de strijd tegen de drugshandel, laat staan van de auteur van een opinierend artikel dat zal mettertijd blijken uit de onontkoombare gevolgen van een verkeerde schatting van problemen, gekoppeld aan onverschilligheid en ongeremd commercieel denken.

Dan zal het duidelijk zijn dat een vangst van bijna drie ton cocaine uit Colombia, zoals begin dit jaar in de haven van IJmuiden, niet langer meer tot de uitzonderingen behoort en dat de gewelddadige methodes van de internationale cocainemafia ook in de Nederlandse samenleving hun bloedige tol gaan eisen. Voor wat betreft dat deel van de Colombiaanse problematiek, zijn de gebeurtenissen in Colombia zelf niet langer incidenten in een ver weggelegen land maar een voorbode van wat ons te wachten kan staan. 'Wij zijn de grootste coke-consumenten ter wereld en we hebben er niet alles aan gedaan wat we konden doen', erkende een Amerikaanse diplomaat in Bogota dezer dagen. 'Ons enige excuus is, dat we nu bezig zijn er iets aan te doen.'

Dat zijn woorden die voor Europeanen de moeite van het overdenken waard zijn. Ook minister Van den Broek van buitenlandse zaken zou die redenering als uitgangspunt voor zijn beleid kunnen gebruiken in plaats van de nu gebezigde legalistische benadering en de verwijzing naar de beperkingen, die het Europese verband inhoudt voor acties van individuele lidstaten van de EG. De huidige, minimalistische opvatting van de Nederlandse regering bleek uit het antwoord op Kamervragen herfst vorig jaar, toen de mogelijke betrokkenheid van een Nederlands bedrijf bij de levering van chemicalien aan de drugsmafia in Colombia ter sprake kwam. Niet ten onrechte wijzen de Nederlandse autoriteiten op hun beperkte invloed in dit soort zaken. Zelfs als de Amerikanen en de Europeanen zich maximaal zouden inzetten in de strijd tegen de drugs, dan nog vormen de evenals het geweld endemische corruptie en het totale bankroet van de justitie in Colombia een enorm obstakel. Maar juist dat laatste element zou de Nederlandse rechtstaat moeten aanspreken en bewegen tot daden die verder gaan dan een solidariteitsactie met brieven van particuliere Nederlandse rechters aan hun bedreigde collega's in Colombia.

In hun op zichzelf terechte verwijten aan de 'geindustrialiseerde wereld' vergeten de Colombianen dit aspect van de corruptie nog wel eens te noemen. Na de spectaculaire aanvallen van het Colombiaanse leger op de uitzonderlijk weelderige bezittingen van de drugsbaronnen augustus vorig jaar, is het op incidentele succesjes na stil geworden.

Ondanks zijn ferme verwerping van elke dialoog met de drugsmafia, heeft president Barco de afgelopen maanden volgens vrijwel iedere gesprekspartner hier in Colombia wel degelijk onderhandeld met Pablo Escobar en de zijnen. De plotselinge arrestatie in Medellin van 'bemiddelaar' advocaat Guido Parra en diens even onverwachte vrijlating een dag voor de verkiezingen van afgelopen zondag, geeft verder voedsel aan de alleszins realistische speculatie over intensieve onderhandelingen tussen Bogota en de 'narcos'. De door de regering zelf toegegeven infiltratie van de staatsorganen en banden tussen delen van leger en politie met narcos en paramilitaire doodseskaders bevestigt het beeld van een sectarische, gefragmenteerde overheid met verschillende gezichten.

Een hard feit is, dat tegen Colombia's publieke vijand nummer een, Pablo Escobar, in het land zelf geen enkele, aan de handel in narcotica gerelateerde, aanklacht is ingediend. Een hard feit is ook, dat de uitleveringen van drugsmisdadigers aan de Verenigde Staten sinds begin dit jaar zijn gestaakt. De Amerikanen maken zich er in vertrouwelijke gesprekken zorgen over of de uitleveringen (en daarmee de berechting en vrijwel zekere bestraffing van internationale drugshandelaren) in de toekomst nog wel zal worden hervat.

Die bezorgdheid is terecht. Als de verkiezingen van zondag iets hebben uitgewezen, dan is het wel dat het mandaat voor de gekozen president Cesar Gaviria van de Liberale partij uitermate beperkt is. Meer dan de helft van de Colombianen nam niet de moeite om de institutionele democratie te versterken of had zich laten intimideren door het terroristische geweld van de afgelopen maanden. Bovendien gaf de helft van de Colombianen die wel naar de stembus zijn gegaan de voorkeur aan een van de drie andere belangrijke kandidaten. Alle drie zijn zij voorstander van een officiele dialoog met de drugsmafia en tegenstander van uitleveringen aan de VS. De Colombianen hebben genoeg van het geweld, zo blijkt ook nog eens uit de grote winst die de links-nationalistische oud-guerrillabeweging M-19 behaalde met een programma dat draaide om 'de weg naar de vrede' in Colombia.

Met deze politieke feiten heeft Gaviria rekening te houden. De signalen die Colombia geeft duiden op een onvermijdelijke verslapping van de strijd tegen de drugshandel. En omdat het hek rond Macondo er nooit zal komen en het de vraag is of de Amerikanen ook in dit deel van de wereld voor de Europese veiligheid moeten opdraaien, is het belang van een nauwere en meer toegewijde betrokkenheid van Europa bij Colombia met Nederland als omgekeerd 'concentratieland' Groter dan ooit.