Klein lexicon van de artillerie

Geschut wordt op grond van de schootshoek (tussen loop en aardoppervlak tijdens het vuren) en de verhouding looplengte: kaliber (diameter van de ziel, het binnenste van de schietbuis) onderverdeeld in kanonnen (kanons bij scheepsgeschut), houwitsers en mortieren. Een kanon heeft een loop met een lengte van 30 tot 152 maal het kaliber en vuurt onder een relatief lage hoek - bij vlakbaangeschut zelfs slechts enkele graden. Mortieren en houwitsers zijn beide altijd krombaangeschut. Een mortier heeft een extreem korte loop van slechts 7 tot 18 kalibers en vuurt onder een zeer grote hoek (soms bijna rechtstandig omhoog) om van achter een dekking een vijandelijk object van bovenaf te bestoken. Houwitsers houden met 12 tot 39 kalibers het midden tussen kanon en mortier.

Dat het maximumvuurbereik toeneemt van mortier via houwitser naar kanon ligt hem zowel aan de vuurhoek als aan de mondingssnelheid: de snelheid waarmee het project uit de monding, het voorste deel van de loop, te voorschijn komt. Bij vlakbaansgeschut is een hoge mondingssnelheid vooral belangrijk voor een hoog penetrerend vermogen.

De voortstuwing is het gevolg van de expansie van gas, ontstaan door de flitsend snelle verbranding van de voortdrijvende lading (kruit). Bij gepatroniseerde munitie zit deze lading in het projectiel zelf, bij niet-gepatroniseerde munitie in een aparte huls of los in een of meerdere kardoezen (linnen zakken met voortdrijvende lading). De tegenwoordig gebruikte ladingen zijn gebaseerd op rookloos kruit dat niet alleen voorkomt dat het geschut zijn eigen lokatie bij vuren verraadt, maar ook veel energierijker is en gecontroleerder verbrandt dan het oudere buskruit. De voortdrijvende lading bestaat meestal uit korrels schietkatoen: een soort rattekeutels van geperste gel. Daar de verbrandingssnelheid evenredig is met het verbrandingsoppervlak, zijn in de korrels kleine kanaaltjes uitgespaard.

De ziel van het kanon is meestal voorzien van trekken, flauw spiraliserende groeven die passen op nokken op de granaat en deze bij het wegschieten een rotatie meegeven, benodigd voor stabiliteit tijdens de vlucht. De ruimten tussen de trekken heten velden. Heeft een granaat een kleinere diameter dan de ziel, dan spreekt men van subkaliber munitie.