Big Bucks

Biovisie. Vakblad voor biologen. Jaargang 70 nr. 10 (18 mei). Verschijnt 20 maal per jaar. Abonnementen: fl.84,40. Postbus 235, 2280 AE Rijswijk, 070-988145. Iota. Maandelijkse nieuwsbrief van de Stichting voor Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek. Postbuis 171, 3500 AD Utrecht, 0300-342099. De affaire-Buck echoot in de biomedische onderzoekswereld nog steeds na, en met reden. Nooit eerder liet in Nederland een onderzoeker zich ten overstaan van de pers zo ongegeneerd gaan bij de presentatie van interessant fundamenteel, maar nog bij lange na niet medisch toepasbaar onderzoek.

De zelfverzekerde uitlating van Buck als zou AIDS over enige jaren dank zij zijn ontdekking de wereld uit zijn, schoot veel mensen in het verkeerde keelgat. In de eerste plaats natuurlijk bij vertegenwoordigers van de seropositieven, die al vaker te stellen hadden met het probleem van de valse hoop en het zo cru nog niet hadden meegemaakt. Maar daarnaast ook bij mensen uit de wetenschappelijke wereld.

De kritische reacties van de kant van Buck's collega's zijn van tweeerlei soort: wetenschappelijk-inhoudelijke en maatschappelijk-ethische. Beide leiden tot dezelfde conclusie: Buck had zijn resultaten nooit op zo'n sensationele manier voor het algemeen publiek bekend moeten maken.

In Biovisie, het enkele jaren geleden uit een jarenlange slaap wederopgestane Vakblad voor Biologen, nemen drie onderzoekers de therapeutische levensvatbaarheid en de chemische zuiverheid onder vuur van het fosfaatgemethyleerde DNA dat door Buck wordt voorgesteld het AIDS-panacee van de toekomst. De kritiek wordt beantwoord door de HIV-onderzoeker prof. Jaap Goudsmit van het AMC in Amsterdam en door prof. Buck zelf.

Viroloog dr. Huub Schellekens van TNOin Rijswijk betoogt dat allerminst vaststaat dat het Eindhovense DNA-preparaat niet toxisch is voor de cellen waaraan het wordt toegediend: ' Er is weinig wetenschappelijke basis te vinden in de door Buck et al. gepubliceerde gegevens voor de grote verwachtingen die zijn gewekt voor de toepassing van deze verbindingen als antiviraal middel bij de mens'. Goudsmit werpt hierop tegen, dat het middel ' zeer goed werkt in zowel nieuw geinfecteerde als langdurig geinfecteerde cellen' en hij heeft ' goede hoop dat de nieuw ontdekte richtsnoeren voor het gebruik van DNA om virusvermeerdering te remmen, ook in het dier, en eventueel in latere fasen in de mens, zullen gelden.' De organisch-chemici dr. C. A. A. Van Boeckel en prof. dr. J. H. van Boom tackelen Buck over de zuiverheid van het preparaat, die volgens hen zeer laag is. Ze verwijten Buck vooral dat hij tot nu toe heeft verzuimd om de analyse-gegevens van zijn fosfaatgemethyleerde DNA-fragmenten openbaar te maken. Zonder die gegevens kan, aldus het tweetal, de zuiverheid en de identiteit van de verbinding niet onafhankelijk door andere laboratoria worden gecontroleerd. Buck gaat in zijn reactie vooral in op een aspect van de bezwaren van Van Boeckel en beantwoordt daarnaast enkele detailvragen over de gevolgde methodologie.

De vier artikelen zijn technisch, zoals het een vakblad betaamt. Enkele jaren geleden, toen Biovisie nog uitsluitend Vakblad voor Biologen heette, zou een dergelijke discussie ondenkbaar zijn geweest. Het Vakblad wijdde zijn kolommen toen nog voornamelijk aan de 'geitewollensokkenbiologie', met veronachtzaming van 'hardere' disciplines als biochemie, moleculaire biologie en biofysica. Gelukkig is dat nu veranderd en is het blad nu werkelijk een spiegel van wat er in de hele biologische wetenschap gebeurt.

Wat redactionele zorg betreft valt er nog het een en ander te verbeteren (zo begint een artikel op de voorpagina met 'Samengevat... '), maar het heeft allang het niveau bereikt waarop elke bioloog het uit de wikkel moet halen, wil hij niet de kans lopen iets lezenswaardigs te missen.

Naast de wetenschappelijk-inhoudelijke kant van de affaire-Buck is er natuurlijk ook een maatschappelijk-ethische. In het meinummer van de PWT-nieuwsbrief Iota staat een interview afgedrukt met de voorzitter van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, prof. dr. D. W. van Bekkum, waarin deze een initiatief toelicht om een gedragscode op te stellen voor de wijze waarop onderzoekers en de media met maatschappelijk gevoelig wetenschappelijk nieuws als dat van Buck moeten omgaan.

Van Bekkum vindt dat Buck niet alleen te ver ging door valse hoop te wekken, maar ook door de media te gebruiken om fondsen te werven. ' Het moet niet zo zijn, dat onderzoekers hun resultaten via de media gaan presenteren en zo proberen meer geld voor hun onderzoek te krijgen. Dan wordt het publiek bespeeld met gegevens die het eigenlijk niet kan beoordelen.' Ook heeft van Bekkum bezwaar tegen de 'sterrenstatus' die sommige onderzoekers zichzelf aanmeten. Zoiets 'brengt de noodzakelijke objectiviteit en zelfkritiek van de onderzoeker in gevaar. (...) Een wetenschapper moet beoordeeld worden op zijn onderzoeksresultaten, niet op de manier waarop hij zich in de media weet te presenteren.' Wat dit laatste betreft kunnen we volgens Van Bekkum een voorbeeld nemen aan de Verenigde Staten, waar de media na soortgelijke ervaringen als de affaire-Buck 'veel kritischer' zijn geworden, omdat 'ze ook in de gaten kregen dat ze als ze alles zouden opnemen, iedere dag wel een potentiele Nobelprijs te melden zouden hebben.'De richtlijn die Van Bekkum voorstelt is, dat de ' berichtgeving over dit soort onderwerpen niet uitsluitend in handen komt van mensen die op snel nieuws uit zijn', maar door een 'gekwalificeerde wetenschapsjournalist' die 'in staat is om de werkelijke waarde van een bricht in te schatten'. De wetenschappers van hun kant moeten bij de presentatie van onderzoeksresultaten grote voorzichtigheid betrachten, 'vooral wanneer die zieke mensen aangaan'. De Stichting Bio-wetenschappen en Maatschappij zal, aldus Van Bekkum, contact opnemen met de diverse betrokkenen, waaronder de Federatie van Medisch-Wetenschappelijke Verenigingen, de Koninklijke Academie van Wetenschappen en de Nederlandse Vereniging van Journalisten. De bedoeling van de codes is, zo relativeert de hoogleraar, niet om 'wetten te stellen, maar uitsluitend om excessen te voorkomen'. F. E.