Dr. Mosterd: 'Medicus speelt in topsport een marginalerol'

AMSTERDAM, 28 mei Bijna duizend bij de sport betrokken artsen uit zeventig landen nemen deze week in Amsterdam deel aan het wereldcongres van de Federation Internationale de Medicine Sportive (FIMS). Op het programma staan lezingen over behandeling en voorkoming van blessures, training en overtraining, voeding en doping, bewegingsanalyses, hormonale veranderingen bij topsporters en plotselinge dood van sporters.

Er is niet alleen aandacht voor de topsport. De sportgeneeskunde heeft ook aandacht voor sport door chronisch zieken en ouderen. Dr. W. L. Mosterd, hoogleraar sportgeneeskunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht en cardioloog in het Lichtenbergziekenhuis in Amersfoort, is voorzitter van de organiserende stichting. Hij onderzoekt onder andere de oorzaak van het toegenomen aantal 'plotsdoden'. In Nederland heeft dit verschijnsel zich ook bij topsporters, en wel vooral juist wielrenners, geopenbaard. Is dat misschien een internationaal verschijnsel waar op het congres duidelijkheid over komt? 'We weten eigenlijk nog niet of het internationaal ook een trend is, ' aldus Mosterd, 'en dat komt vooral omdat Nederland een ideaal land is voor een goede centrale registratie. Het is goed georganiseerd en niet te groot. Het schijnt dat de Duitsers zeggen dat de toename van sterfgevallen daar niet voorkomt, maar voor ik dat geloof moet ik wel eerst zeker weten dat ze registreren. Op het congres hopen we daar in de discussies achter te komen.'

'Het aantal plotsdoden is in absolute zin niet zo groot: wel is er de afgelopen tien jaar mogelijk een verdubbeling van 100 naar 200 per jaar opgetreden. Persoonlijk veroorzaakt dat groot leed, maar op macroniveau is het geen schrikbarend aantal. Er zijn ook sceptici die zeggen: waarom zou je uberhaupt nagaan hoeveel mensen er tijdens het sporten dood gaan? Je gaat toch ook niet na hoeveel mensen er tijdens het spitten of bij de coitus overlijden. Ik vind dat niet juist. Een praktisch belang voor de sport is natuurlijk al dat een sporter die dood gaat nieuws is.'

Bizar

In Nederland overlijdt een sporter per 700.000 sporturen. Dat lijkt bizarre statistiek, maar wie een afweging wil maken vindt daartegenover winst aan gezondheid. Dat een sporter ook langer leeft is echter niet overtuigend aangetoond.

Mosterd: 'Veel jaren sporten vermindert sterk de risico's op het optreden van hart- en vaatziekten. Uit een beroemde buitenlandse studie, waarbij een grote bevolkingsgroep vele jaren is gevolgd, blijkt dat dagelijkse lichamelijke activiteit waarbij meer dan een bepaald aantal calorieen wordt verbruikt, goed is. Er zijn meer studies waaruit dat blijkt. Deze zomer zullen we dat onder aandacht van het ministerie van WVC brengen omdat in de voorlichting over het bestrijden van hart- en vaatziekten nog te veel de nadruk ligt op roken en cholesterol.' Sportgeneeskunde houdt zich bezig met alle medische aspecten van de sportbeoefening. Zowel het puur wetenschappelijke onderzoek als de heelkunde en de preventieve zorg vallen eronder. De sportarts moet er allereerst voor zorgen dat iemand binnen zijn of haar trainingstechnische en lichamelijke mogelijkheden zo gezond mogelijk sport. Mosterd: 'Een consequentie daarvan is dat als een sporter een blessure oploopt, je hem zo snel mogelijk weer op de been helpt. Dat kan iemand zijn met een gewone baan, die zijn werk weer moet kunnen doen. Het kan ook een topsporter zijn. Zijn werk is topsport. Daarvoor kan de arts een andere benadering kiezen dan voor een gemiddelde sporter.' Steeds vaker gaan chronisch zieken weer sporten. Het wordt gestimuleerd omdat het gezond is, maar sport is tegenwoordig ook een manier om er sociaal bij te horen. Mosterd: 'Dat betekent dat iemand beslist bij de golfclub moet, of bij de bodybuilders.'

Dubbelrol

Het gezonde van normale sportbeoefening en het ongezonde van topsport worden vaak tegenover elkaar gesteld. Speelt de sportarts daar niet een dubbelrol in? 'Wat ik dubbel vind is de manier waarop de topsporter op dat punt wordt benaderd. Aan iemand die schrijft wordt nooit gevraagd wat hem dat kost aan psychische spankracht, aan verlies aan relaties. Niemand vraagt aan een pianist hoeveel uur hij per dag speelt. Hier in de buurt wonen twee cellisten. Die jongens spelen vijf, zes uur per dag.'

'De keus of het verantwoord is schade op te lopen bij het beoefenen van topsport moet je uit de medische context halen. Dat is in onze cultuur een vrije keus. Er is ook te veel geld mee gemoeid om het een medische zaak te laten zijn. Kijk naar alle TV-stations die er in de VS zijn. Die moeten zendtijd vullen. Wat kun je beter doen dan een prachtig stadion te pakken en een spannende wedstrijd uit te zenden. Dat kost heel weinig geld. Alleen de artiesten worden steeds duurder. De medicus speelt een hele marginale rol.'

'De sportwereld in de VS staat momenteel op zijn kop omdat een van de bekendste basketballers op het veld aan een hartaanval is overleden. Die had een hartkwaal en kreeg daar een medicijn voor. Van dat geneesmiddel word je trager. Als topper til je dus net iets later je benen op dan je tegenstander, terwijl je vroeger altijd sneller was. Die speler nam dan een dag voor de wedstrijd dat middel niet meer in. Naast het veld was altijd een defribillator paraat. Hij heeft ventricelfibrilleren gekregen en ze zijn in de paniek vergeten te defribilleren. Zoiets is bij ons niet mogelijk, maar daar gaat het om tientallen miljoenen dollars. Een arts kan daar niet over beslissen.' Hoe ver mag een medicus dan gaan in de begeleiding van topsporters? Moet er een grens zijn? Gedragscode 'Daar heb ik persoonlijk nooit enig misverstand over laten bestaan. Als een speler speelt van wie de arts vindt dat hij niet moet spelen, dan moet je opstappen als je die arts bent.

Ik heb het zelf nooit hoeven doen, maar ik heb wel praktijksituaties gehad waarin ik het gelijk aan mijn zijde kreeg. Uiteindelijk ben je in die situaties afhankelijk van de afspraken die met het management van de club zijn gemaakt. Wat dat betreft ben ik blij dat de sportgeneeskunde steeds sterker komt te staan. De sportgeneeskundige specialisten hebben een statuut waarin ook het een en ander staat over de grenzen van het beroep. Het is een soort gedragscode. Er staat bijvoorbeeld in dat je niet aan doping mag meewerken. Toch moet het nog beter. Men kan nu nog veel te gemakkelijk van de ene naar de andere dokter switchen.' De sportgeneeskunde in Nederland staat kwalitatief op een hoog peil. De beroepsgroep zelf vindt dat het kwantitatief nog beter kan. Maar wat hebben andere medische disciplines eigenlijk aan de sportgeneeskunde? Is er sprake van spin off? Mosterd: 'Op mijn eigen vakgebied, de cardiologie, heb ik al vele voorbeelden. Het inzicht dat inactiviteit een risicofactor voor hart- en vaatziekten is komt uit de sportgeneeskunde. Dat je lichte hypertensie beter kunt bestrijden met bewegen dan met medicijnen, is een ander nieuw inzicht. Vroeger lagen mensen na een hartinfarct nog drie, vier weken in bed. Tegenwoordig moet je een knappe jongen zijn om drie dagen erna nog niet op de been te zijn. Vroeger dachten we dat de spierverzwakking altijd een gevolg was van de verminderde hartfunctie, maar bij mensen die niet bewegen blijkt meestal wel genoeg zuurstof te worden rondgepompt: de spieren halen het er alleen niet meer uit.

Ook op andere gebieden zijn er legio voorbeelden. Veel trainings- en bewegingstechnieken worden bijvoorbeeld overgenomen om gehandicapten beter te laten bewegen. Operatietechnieken die eerst alleen bij topsporters werden toegepast zijn algemeen in gebruik gekomen. Vrij nieuw is het inzicht dat depressieve mensen er met sportbeoefening gedeeltelijk over heen te helpen zijn. Wat ik nog graag uit een andere discipline zou willen weten is wat er met het afweersysteem van eenzijdig getrainde topsporters gebeurt. Maar over het algemeen is de spin off naar niet-sporters volgens mij zeker niet minder dan wat de sporters aan andere disciplines te danken hebben.'