Het gezellige puin ruimen

In het Zaterdag Bijvoegsel van 12 mei stond een foto over het bombardement van Rotterdam die een halve eeuw geleden, toen hij gemaakt werd, door de letterknechten van Seyss-Inquart uit de krant werd gehouden. Het is een foto die een onvergetelijk drama tot onderwerp heeft: in het midden ervan staat een man die zich na het bombardement in een wildernis van puin aan een lantaarnpaal lijkt vast te houden en verloren naar de grond staart, omgeven door uitgebrande ruines.

Het is het werkelijkheid geworden Laatste Oordeel dat met een lugubere klaarheid de verwoesting van een stad uitbeeldt: de essentie van een catastrofe die in een apocalyptische klap een eeuwenoude cultuur met de grond gelijk heeft gemaakt.

De locatie doet er eigenlijk minder toe dan de gebeurtenis, want de ramp die zich zojuist heeft voltrokken heeft een universele herkenbaarheid. Guernica 1937, Rotterdam 1940, Londen 1941, Coventry 1942, Dresden 1943, Berlijn 1944, Hiroshima 1945. De foto had overal gemaakt kunnen zijn, maar aan de lantaarnpaal is te zien dat het Rotterdam is, onmiddellijk na het bombardement. Het puin waarop de man staat, zal nog dagen warm blijven en dadelijk wellicht de zolen van zijn schoenen verschroeien. Het bijschrift bij de oorspronkelijke foto in het boek van Baarda luidt: 'Man op onbekende plaats tussen ruines'.

De schrijver van die regels, wellicht de fotograaf zelf, heeft zich niet aan nadere omschrijving of gissing gewaagd. Misschien heeft hij nachten doorgewerkt om de ondergang van de stad te fotograferen en is hij door vermoeidheid het spoor bijster geraakt. Of heeft hij van verdere documentering afgezien omdat hij geen woorden meer had voor de overweldigende stilte die de man op de foto omgeeft? Andere bronnen houden de plaats voor de Delftsestraat, maar dat doet er eigenlijk niet veel toe.

Wat opvalt aan de 'Man tussen ruines' is zijn kleding. De uitrusting geeft te vermoeden dat hij tot de zelfstandige middenstand behoort en kort tevoren nog op deze plaats een winkel heeft gehad. Hij draagt een hoed en het enigszins door steenstof bestoven colbert van zijn driedelig kostuum is midscheeps dichtgeknoopt. Hij houdt zijn handen achter zijn rug alsof hij zich wil vastgrijpen aan de achter hem staande lantaarnpaal. (Waar zijn toch de vooroorlogse straatlantaarns van Rotterdam gebleven die de brand van 1940 hebben overleefd? Op de foto's van de uitgebrande stad staan tussen het puin vrijwel alle lantaarnpalen overeind.)Het is niet duidelijk of de man behoedzaam over het puin schuifelt of besloten heeft niet verder te gaan, maar uit heel zijn houding spreekt een schrijnende gedesorienteerdheid. De tragiek van zijn ontreddering doet hem lijken op het schoolhoofd dat in het boek van een Rotterdamse kroniekschrijver op de eerste dag na het bombardement op zoek gaat naar wat eens zijn stad was, maar de weg kwijt raakt doordat de hele buurt rondom de Laurenskerk is verdwenen en het oude stratenplan geen houvast meer geeft. In een zakboekje heeft hij opgeschreven hoe hij is gelopen, maar de totale verwoesting gaat zijn orientatievermogen te boven. 'Van hier af herkende hij zijn stad niet meer'. De 600 jaar oude binnenstad veranderde in minder dan een kwartier tijds in een kolossale, sinistere ruine. De waarnemingen over de tijd van de ondergang varieren van acht tot twaalf minuten. De effecten daarvan leken tot nu toe wel afdoende beschreven, maar in de talrijke gelegenheidspublikaties van de afgelopen weken zijn nog heel wat belangwekkende persoonlijke geschiedenissen te voorschijn gekomen die buiten de kleine kring nog niet eerder waren geopenbaard. Die achterstallige nabetrachtingen hangen samen met het feit dat de verslaggevers van het grote Rotterdamse socialistische dagblad de Voorwaarts al in de week van de capitulatie het werk neerlegden en in hun krant, die onmiddellijk onder Duits toezicht werd geplaatst, niet over de brand van de stad hebben geschreven. Wat de krant na de brand over Rotterdam publiceerde, was overwegend door het Reichspresseamt gefilterd.

In een van de recente boeken over de brand vertelt Henk Dantz, in 1940 een van de verslaggevers van de Voorwaarts, dat hij destijds nooit over de brand heeft geschreven omdat hij op 14 mei de deur van de krant voor goed achter zich dichttrok om er voor de bevrijding niet meer terug te keren. Hij schreef zijn eerste stuk over de verwoesting van Rotterdam pas tien jaar na de oorlog, dus in 1955, in Het Vrije Volk dat in Rotterdam de voortzetting van de Voorwaarts was (In: Frits Baarda, Rotterdammers over het bombardement, Focus/ SDU, Den Haag, 1990). Ondanks het grote persoonlijke verlies dat de bevolking had geleden (ruim 1100 doden, vele duizenden gewonden, ruim 80.000 daklozen) organiseerde de stad zichzelf met een verbazingwekkende voortvarendheid. Met een demonische schoonmaakdrift bewees ze dat een bevolking die door noodlot en onrecht getart wordt en gedwongen is voor haar leven te vechten, onverslaanbaar is. De inzet waarmee de stad het puin te lijf ging, werd gedragen door een miraculeuze collectieve energie en een geniaal zelfbesturend organisatievermogen. In het boek van Baarda stelt een Rotterdammer die zelf bij het puin ruimen was ingeschakeld het voor als een fluitje van een cent, maar zo eenvoudig zal het wel niet gegaan zijn. Het geheim zat zeker in de massale inzet. 'Ieder gezond mens ging puin ruimen. De havenbedrijven stuurden ploegen (havenarbeiders die voor het puin ruimen werden ingezet). Zo waren er wel duizenden mannen aan het werk'.

De puinruimers werden in ploegen verdeeld aan wie afgebakende sectoren werden toebedeeld. 'Onze ploeg kreeg de Kipstraat toegewezen'. Vrouwen werden ingeschakeld om de stenen te bikken en weer bruikbaar te maken voor het nieuwe Rotterdam (de nood-schouwburg is onder meer gebouwd uit de schoongemaakte stenen uit het puin van het bombardement). Het epos van die met de hand uitgevoerde schoonmaakoperatie is vereeuwigd in foto's die vijftig jaar na de gebeurtenis hun grootste gruwelijkheid hebben verloren en intussen een nieuwe poetische schoonheid hebben gekregen. Yeats' terrible beauty in het Rotterdam van 1940. Het begint met een oceaan van stenen die zover het oog reikt zich uitstrekt over de woeste vlakte rondom de Laurenskerk. De oceaan verandert geleidelijk in sectorale bergen en die bergen worden gaandeweg geordend tot overzichtelijke straten van stenen die in de wederopbouw opnieuw een bestemming krijgen.

Het drama van de ondergang had Rotterdam in een staat van collectieve psychische verdoving gebracht, maar ze was er niet zo slecht aan toe of ze wilde de Duitsers wel laten zien dat ze zich niet zou laten onderspitten. In het puin ruimen hervond de stad zichzelf en in het slepen en storten kwam ook de oude optimistische levenslust weer terug. 'Wij waren een opgeruimde ploeg puinruimers'.

Op de keper beschouwd was 'het heel gezellig onder elkaar'.

    • H. A. van Wijnen