Het berouw van jong China

Een jaar na de mislukte revolutie op het plein van de Hemelse Vrede zijn de Chinezen weer met elkaar alleen. Carolijn Visser keerde terug naar Shanghai en Peking, trof er studenten en voormalige sympathisanten: andere mensen dan zij vorig jaar waren. Nationalistisch en schuldbewust. 'Wie weet wat er gebeurd was als de Chinese autoriteiten niet hadden ingegrepen, ' zegt een student, 'misschien was het dan veel slechter afgelopen.'Vlakbij het vliegveld van Shanghai verrijst een nieuwe stad. Kantoren, appartementenblokken en hotels voor buitenlandse toeristen of zakenlieden. Het zijn hoge constructies van beton, spiegelend glas en marmer.

De plannen daarvoor werden gemaakt in het midden van de jaren tachtig, toen Amerikanen, Duitsers en Nederlanders in de rij stonden voor contracten met Chinezen; ze prezen zich gelukkig met een voet tussen de deur. 'China Trade' was in die jaren een haast magisch begrip.' Hier komt het Golden Gate Hotel, Lang leve de vriendschap tussen San Francisco en Shanghai', staat te lezen op een bord bij een van de bouwputten. Die vriendschap bestaat inmiddels niet meer, de toeristen komen alleen nog in kleinen getale en nieuwe zakenlieden blijven weg. Toch wordt er koortsachtig verder gebouwd alsof er vorig jaar niets is gebeurd, alsof er geen breuk is gekomen tussen China en de rest van de wereld.

Een paar dagen na het bloedbad op het plein van de Hemelse Vrede was ik ook in Shanghai. Politiewagens met krijsende sirenes reden af en aan, achterin zaten jonge arrestanten, honderden mensen werden tijdens die dagen afgevoerd.

Nu is het straatbeeld weer zoals voor alles begon, alleen de buitenlanders zijn eruit verdwenen. Een hele dag wandel ik door Shanghai, geen enkele buitenlander kruist mijn pad. Wel zie ik aan het eind van de middag twee Afrikaanse studenten voorbij fietsen, ze laten zich traag meevoeren door de stroom, hun motoriek is Chinees, hun kleren hier gekocht. Ze vallen eigenlijk nauwelijks op. Voor de rest zijn de Chinezen, net als vroeger, voor de modernisatie, met elkaar alleen.

Zwarthandelaar

Ik wil weten wat er het afgelopen jaar voorgevallen is in Shanghai, of de sfeer veranderd is, daarom ga ik op zoek naar een zwarthandelaar die ik al lang ken. Hij is altijd goed op de hoogte van wat er achter de schermen gebeurt, hij kent mensen van hoog tot laag en heeft er plezier in om je uit te leggen dat de dingen niet zijn wat ze lijken.

Wu is een jaar of 25 oud en gaat altijd gekleed als een dandy. Vorig jaar stonden we samen naar de arrestatiewagens te kijken die voorbij reden. Zijn commentaar was niet bepaald sentimenteel te noemen: ' Ze zetten de intelligentste jongeren in het gevang. Wat een verspilling, wat een verlies voor China!'.

In een ander land zouden die woorden wellicht medeogenloos klinken, in China niet.

Tijdens de studentendemonstraties en het bloedige gevecht in Peking was ik op het Chinese platteland. De mensen die ik in die dagen ontmoette, spraken allemaal met relativering en grote rust over de chaos in hun eigen land.' De studenten willen te veel te snel', hoorde ik dorpsbewoners vaak zeggen in die dagen. ' Wie zich met politiek bemoeit is dom, want het is gevaarlijk', zeiden een paar oude mannen. Het nieuws uit hun eigen hoofdstad schokte hen niet echt. Ze hadden in hun leven wel ergere dingen meegemaakt.

Wu was weliswaar een stadsjongen, maar hij was net als die boeren een klassieke Chinees: wars van koude drukte en zich sterk bewust van de geschiedenis van zijn eigen land die al tientallen eeuwen langzaam voortvloeit.

Sinds ik Wu ken klaagt hij erover dat er geen vrijheid bestaat in China, maar hij is te cynisch om daar op te wachten. ' Je moet in dit land voor jezelf zorgen', is zijn motto. En dat deed hij, vertelde hij me vorig jaar, op een hele bizarre manier: Hij wisselde buitenlandse valuta tegen Chinees Volksgeld en daaraan hield hij heel wat over. Zo spaarde hij voor een talencursus in Japan; de Japanse regering reserveert elk jaar een aantal plaatsen voor Chinezen die Japans willen leren. Wu was helemaal niet geinteresseerd in die studie maar hij wist dat er in Japan een groot gebrek bestaat aan vakkenvullers in supermarkten. Als hij het een beetje handig aanpakte, kon hij met drie parttime baantjes een fortuin verdienen. Daarmee wilde hij terugkeren naar Shanghai en vervolgens zou hij dan een restaurant kopen.' Uiteindelijk', voorspelde Wu, niet van zijn apropos gebracht door de revolutie, ' word ik miljonair'. We gingen in die tijd wel eens eten bij een vriendin van hem die hetzelfde plan aan het uitvoeren was en een paar jaar op hem voorliep. Dertigduizend gulden had ze betaald voor haar zaakje, niet meer dan veertig vierkante meter groot. Aan het plafond was een grote kist bevestigd, van ongeveer een meter vijftig lang en een meter breed, daarin sliepen de eigenares en haar man. Er was een laddertje om naar boven te klimmen. Het echtpaar werkte zeven dagen per week van 'smorgens acht tot 'savonds twaalf, ze zagen allebei zo bleek als een doek.

Maar Wu had alleen maar oog voor de voorsprong die ze op hem hadden. ' In een jaar hadden ze de investering er uit, over een jaar verkopen ze de zaak en kunnen ze met vijftigduizend Amerikaanse dollar naar het buitenland.'

Zijn ogen glinsterden. ' Voor zoveel geld kun je een vals paspoort kopen en ligt de hele wereld voor je open.' Wu is nergens te vinden. 'sAvonds ga ik naar het restaurant van het bevriende echtpaar, de zaak is overgegaan in andere handen. De vorige eigenaars zijn in Groot-Brittannie, weet iemand te vertellen. Wu kent hij ook, die zit in Tokyo. Alles loopt blijkbaar volgens plan.

Aangeschoten

De receptionist in mijn hotel leert Japanse woordjes uit een boek als ik hem iets vraag. ' Vorig jaar leerde u Engels, herinner ik me', zeg ik.

De man knikt. ' De wereld verandert voortdurend', zegt hij. ' In de jaren vijftig moesten we Russisch leren, toen werd Engels de meestgebruikte buitenlandse taal en nu is het Japans.' 'sAvonds in het restaurant valt het me na een tijdje pas op dat vrijwel alle gasten aan de andere tafels Japanners zijn, eerst had ik ze aangezien voor Hong Kong Chinezen maar als ze buigend afscheid van elkaar nemen is er geen twijfel meer mogelijk.

Een aangeschoten zakenman knikt me vriendelijk toe in de lift. Hij komt uit Yokohama, vertelt hij. In de handel met China ziet hij een grote toekomst. ' We hebben elkaar nodig', zegt hij. ' Wij helpen de Chinezen hun land te ontwikkelen en voor ons is China een goede afzetmarkt. De Amerikanen maken het ons steeds moeilijker en de EEG zal dat later waarschijnlijk ook doen.' ' Hoe lang is het ook al weer geleden, ' vraag ik, ' dat Chinese studenten demonstreerden tegen Japanse produkten en investeringen? Drie jaar?' De man lacht. ' Dat is iedereen al weer vergeten. Bovendien hebben de Chinezen nu geen keus.'

Magere jongens

Traag rijdt de trein door de Yangzi delta. Gele koolzaadvelden strekken zich uit tot aan de horizon. Overal wordt gebouwd, alle boerenwoningen hebben eenzelfde ontwerp. Sommige zijn net klaar, de dakpannen blinkend nieuw, elders liggen de bakstenen nog opgestapeld. Een van de drie heren met wie ik een coupe deel spreekt Engels, hij is ingenieur en heeft veel bezoeken aan het buitenland gebracht.' Kijk', zegt hij, wijzend naar het voorbijschuivende landschap. ' Het gaat de boeren goed. Geen van deze huizen stond hier vijf jaar geleden. Daarom heeft de Chinese regering niets te vrezen - zo lang de boeren tevreden zijn, is China een stabiel land. Zo is het in de Chinese geschiedenis altijd geweest en zo zal het altijd blijven.' Ik ben op weg naar Peking om een bezoek te brengen aan een van de universiteiten waar vorig jaar de revolutie ontvlamde. Ik ben benieuwd hoe het de studenten nu vergaat.

Een Italiaanse kennis beloofde me voor te stellen aan een paar bevriende Chinese studenten die een jaar geleden vele dagen doorbrachten op het plein van de Hemelse Vrede. Ze had lang bij hen moeten aandringen, zei ze, want iedereen is bang.

Als we de kamer binnenkomen zitten drie magere bebrilde jongens op hun stapelbedden. Er hangt een bedrukte stemming.' Al onze moeite heeft nergens toe geleid', vertelt een van hen somber. ' De veranderingen waar wij voor pleitten komen er niet en China raakt steeds verder achterop. Ooit was China een machtig rijk maar we zijn ingehaald door de Vijf Draken: Japan, Korea, Singapore, Taiwan en Hongkong.' De jongens schudden bedroefd het hoofd, ze geloven niet dat het ooit goed zal komen want de Chinese geschiedenis ligt als een zwarte schaduw over het land. ' Sinds 1840, sinds de eerste opiumoorlog, proberen wij Chinezen ons aan te sluiten bij de rest van de wereld, steeds mislukt dat. Nu weer'. Maar de Japanners hebben er toch een oplossing voor gevonden, opper ik, dan kan China dat ook... De jongens gnuiven afkeurend. ' Wat is de Japanse cultuur behalve een afgeleide van de Chinese?', vraagt de langste van de drie. ' China is veel ouder, groter, trager en eigenwijzer'. Maar het westen heeft veel leningen ingetrokken en contacten verbroken, zeg ik.' We moeten wel met Japan samenwerken', geeft een van hen toe. ' Bovendien weten de Japanners precies hoe wij Chinezen denken en voelen. Zij weten ons te bespelen, westerlingen kunnen dat niet.' Japan wekt blijkbaar zeer gemengde gevoelens op bij het drietal. Aan de ene kant, begrijp ik, zijn ze trots dat een Aziatisch land het tot wereldmacht gebracht heeft.

Aan de andere kant zit het hun dwars dat niet hun land, het Rijk van het Midden, voorop loopt. Een van de studenten zegt: ' Drie jaar geleden gingen studenten de straat op omdat ze vonden dat de Japanners teveel te vertellen kregen in China. Nu kunnen we niets doen. We mogen blij zijn dat ze ons helpen. Maar onze vernedering wordt steeds groter. Binnenkort heeft ook Thailand ons ingehaald'. Zijn buurman vult aan: ' Jij ziet misschien een overbevolkt, vuil en arm land, maar diep in ons hart zullen wij China altijd blijven zien als nummer een. Dat geldt voor elke Chinees'. De studenten zien zichzelf als de eerloze verliezers van de neergeslagen revolutie, zo lijkt het wel. Het is een drama waarvan ze zichzelf de schuld geven.' Wie weet wat er gebeurd was als de Chinese autoriteiten niet hadden ingegrepen, misschien was het dan veel slechter afgelopen?', vraagt een van hen na enig zwijgen.

Paradijs

De jongens buigen het hoofd. De enige versiering in de kamer is een kaart van de Verenigde Staten, het Beloofde Land voor de Chinese intellectueel. Van Amerika weten ze veel minder dan van Japan, Amerika is in hun verhalen net zo abstract als het paradijs. Ze hebben alle drie vrienden die daar wonen en in hun brieven worden wonderen geschetst. Iemand die ze kennen kocht na twee jaar een huis met een zwembad en iedereen heeft natuurlijk een grote auto. ' In Amerika bestaat vrijheid en technische vooruitgang, hier is alles gestagneerd', zeggen ze.' China is toch nog niet definitief verloren?', zeg ik. ' In Oost-Europa is inmiddels zoveel gebeurd. Dat zal toch ook zijn uitwerking hebben op China?' De drie studenten zeggen beslist van niet. ' Wat er in Oost-Europa gebeurt zien wij niet als positief', beweert een van hen en de anderen knikken instemmend. ' Dat is geen voorbeeld voor ons. De werkloosheid daar, de groeiende misdaad, de inflatie, de onzekerheid, dat is iets waar wij Chinezen niet van houden. Wij willen veranderingen maar ook stabiliteit. Het Westen moet accepteren dat China niet met Oost-Europa te vergelijken valt.' Het verbaast mij dat ze het zo zien. Vorig jaar had elke student die ik sprak op het Plein veel goede woorden over voor wat er gebeurde in de Sovjet-Unie. Ik herinner me een discussie, precies een jaar geleden, op het Tiananmenplein tussen een Russische toerist en een Chinese student, iedereen was op dat moment in afwachting van de komst van Gorbatsjov. ' Woorden, woorden', zei de Rus over zijn eigen president. ' Maar in onze winkels is niets te krijgen.'

' Jullie hebben perestrojka, ' zei de Chinees, ' wij hebben geen politieke vrijheid'. De bakens lijken nu verzet. Ik ben sinds tien dagen in China, maar ik heb nog niemand gevonden die Gorbatsjov als leidend voorbeeld ziet.

Dorp van de Vier Wilgen

Mijn vriend Hongqi, manager in een fabriek in Canton, is voor een paar dagen in Peking om een vergadering bij te wonen. Erg belangrijk is die vergadering niet, hij heeft de tijd om met mij door de stad te wandelen. Vorig jaar was Hongqi een enthousiaste revolutionair, hij was er toen van overtuigd dat het moment was aangebroken waarop China de Westerse democratie en technologie moest overnemen. Nu gelooft hij daar niet meer in.' De studentenacties kwamen op het verkeerde moment, op de verkeerde plaats, in het verkeerde land', zegt hij verslagen.' Laat je je niet teveel beinvloeden door de propaganda van de overheid?', vraag ik.' Nee', roept hij beslist. ' Ik luister naar de BBC en naar de radio in Hongkong. Herinner je je nog dat dorp in Jiangsi dat we bezochten?' Ik knik, nooit zal ik het dorp van de Vier Wilgen vergeten. Het lag tegen een dijk, aan de Gan rivier. We woonden een dienst bij in een boeddhistische tempel. De dorpelingen leefden volgens confucianistische regels; elk nieuw huis bijvoorbeeld moest iets lager zijn dan de oudere woningen.' Maar toen zei je dat die mensen opgevoed moesten worden, dat ze de vooruitgang van China in de weg stonden met hun oude tradities.' Hongqi zegt treurig: ' Maar nu weet ik dat ze nooit zullen veranderen. Wij, de mensen die door een kier naar de buitenwereld hebben gekeken zijn in de minderheid, de meerderheid van de Chinezen heeft geen idee wat er buiten ons land gebeurt en is ook niet geinteresseerd'. Hij kreunt alsof hij pijn heeft. ' Nu ben ik in Peking, voor het eerst van mijn leven en dat is geweldig, ' gaat hij verder, ' maar weet je wat ik het afgelopen jaar op mijn werk gedaan heb? Elke maand moest ik twee telexberichten vertalen. Meer was er niet te doen. Deze reis is een uitzondering, als ik terugga, ga ik terug naar een leeg bureau.' Hongqi gelooft wel dat China ooit, ooit zal veranderen. ' Maar wanneer?' wil hij weten. ' Over twintig jaar? Dan ben ik 55!' We bekijken de Verboden Stad, het Zomerpaleis, maar echt vrolijk, zoals vorig jaar, is hij geen moment.

Analfabeten

De volgende dag spreek ik af met Dayao in een restaurant dat bekend staat om zijn goede Peking eend. Ook met hem maakte ik eerder een reis door China. Hij is ingenieur en vergezelde mij vorig jaar, tijdens die turbulente weken naar het platteland van Jiangsu. Ook hij was toen vol verwachting.' We hebben een grote fout gemaakt', zegt hij, terwijl hij zijn pannekoekjes zorgvuldig dichtvouwt. ' Wij, de intellectuelen waren vergeten dat de boeren en de arbeiders in een andere wereld leven. Wij discussieerden over Freud en Heidegger terwijl er in China 200 miljoen analfabeten zijn'. Ook hij begint over de vraag wat het betekent om Chinees te zijn, dat brengt iedereen die ik ontmoet ter sprake.' We zijn anders, onze geschiedenis heeft ons gevormd', beweert ook hij. De afgelopen dagen heb ik steeds volgehouden dat elk mens op aarde hetzelfde is, dat de verschillen alleen in de omstandigheden zitten, maar vandaag begin ik daaraan te twijfelen.

Ik denk aan de Chinezen die ik in het verleden ontmoet heb: een houtvester uit de Filippijnen, een winkelier in de Costaricaanse jungle, een multimiljonair in Hongkong, een restauranteigenaar op de Amsterdamse Zeedijk, eigenlijk leken ze allemaal op Wu uit Shanghai. De studenten en de intellectuelen zijn een groep apart en hun rol is ook al eeuwen lang dezelfde: ze leveren een machteloos protest tegen de keizer of in dit geval tegen de partij. De meerderheid van de Chinezen bestaat uit mensen zoals Wu. Ze maken er het beste van, waar ook ter wereld. Als het niet anders kan, buigen ze mee met de omstandigheden, als bamboe in de wind waarmee Chinezen sinds mensenheugenis vergeleken worden.' Chinees zijn is niet zoiets dat je kunt uitdoen als een jas', zegt Dayao later als we eindeloos staan te wachten bij een bushalte. Nee, beaam ik. Maar vorig jaar leek het alsof iedereen dat juist wilde. Op een gegeven moment was er toch sprake van dat er voortaan niet meer met stokjes gegeten moest worden? Dayao knikt: ' Maar ook daar is niets van terecht gekomen'. We gaan naar zijn woning, een troosteloze kamer in een verre buitenwijk. De vrouw van Dayao, Xiaohong, zit gebogen over een boek aan een bureau. Ze is arts in traditionele geneeskunde.

Ook hier hangt een kaart van de Verenigde Staten aan de wand. Al jaren, weet ik, hopen Dayao en zijn vrouw te emigreren naar Californie.

We drinken thee en ik vraag het tweetal wat ze denken van de Chinese dissidentenorganisatie in Parijs.

Xiaohong zucht. ' Het doet er niet toe wat ze in Parijs doen', zegt ze. ' Het verandert niets aan het feit dat de meerderheid van de Chinezen geen snelle veranderingen wil. Bovendien hebben we gehoord, ook op de BBC, dat ze onderling ruzie hebben, het is voor ons niet zeker of die mensen in Parijs goede leiders zulen zijn. Het feit dat ze dat geworden zijn, was meestal puur toevallig.' Over het schip dat onderweg is en dat voor de kust van China dissidente radioprogramma's zal uitzenden hebben ze ook gehoord, alleen kunnen ze dat bericht nauwelijks geloven. ' De journalisten in China zijn helemaal in de war sinds 4 juni vorig jaar', zegt Dayao. ' Een tijd geleden werd er in het nieuws van zeven uur gezegd dat er een hemellichaam in de richting van de aarde kwam en de helft van de aarde zou wegvagen. ' Daar is nooit meer iemand op teruggekomen, maar we hebben wel een tijd in angst gezeten.'

'sAvonds, terug in mijn hotel weet ik ook niet wat te denken van het verhaal dat iemand mij in de lobby vertelt: morgen gaat er iets gebeuren op het Plein van de Hemelse Vrede.'sNachts doe ik geen oog dicht; niet omdat ik me daarover zorgen maak maar omdat er rondom mijn hotel 24 uur per dag wordt gebouwd. Drie enorme nieuwe hotels verrijzen in de straat. Vrachtwagens rijden de hele nacht af en aan, bouwvakkers graven grote putten en schoffelen ze weer dicht.

'sMorgens vroeg stap ik op mijn fiets om naar het Plein te gaan. Als ik in de buurt ben lijkt het alsof ik rumoer hoor, ik trap stevig door. Boven het plein hangt een roofvogel dreigend in de lucht. Wat is er aan de hand? Wie of wat is zijn prooi? Ik ga een hoek om en de enorme vlakte strekt zich voor me uit. Het is druk op het plein: ouders wandelen met hun kinderen, mensen van het platteland kuieren rustig rond met hun aankopen in de hand. En de roofvogel, zie ik nu, wordt aan een touw vastgehouden door een oude man: het is een vlieger.