HAGEDIS EN KREKEL

'Ja, en dan is er nog een bak met hagedissen. Die zullen wel honger hebben', zei hij terloops en hij begon onder tafel te zoeken naar iets dat hij blijkbaar had laten vallen.

Ik had me alles drie keer ingeprent: waar ik de lakens kon vinden, hoe de deur op slot moest, welke truc ik moest gebruiken om de wc voor eeuwig doorlopen te behoeden, alles wat iemand moet weten als hij een paar dagen in het huis van iemand anders gaat wonen. Het is een transplantatie in andermans vel.' Hagedissen? Honger?', zei ik. ' Wat moet ik daaraan doen?' ' Heel eenvoudig. Drie straten verder op de hoek is een dierenwinkel. Daar haal je twintig krekels. Die kosten vijf cent per stuk. Die laat je los in de bak, en dan zul je wel merken dat ze van lieverlee opraken.' Ik zei nog eens hoe blij ik was dat ik in zijn huis mocht wonen, we namen afscheid en ik verbeeldde me dat er een sluw lachje om zijn mondhoeken speelde.

De bak van de hagedissen was een hoog soort aquarium, afgedekt met gaas. Er zaten drie reptieltjes in die geen hongerige indruk maakten maar ook geen verzadigde. Hoe kun je aan een hagedis zien dat hij honger heeft? Niet. Bij hun aanblik voelde ik me schuldig maar het was te laat om nog naar de dierenwinkel te gaan. Ik zond een schietgebed op dat ze het tot de volgende dag zouden uithouden.

Om half negen stond ik voor de winkel. Kwart over negen verscheen er een slaperige man die aan het slot begon te morrelen.' Ik heb haast', zei ik.' Waarom?' ' Ik moet twintig krekels hebben.' ' Neem liever een gebakken ei', zei hij. Daarmee was zijn humor niet uitgeput.

We gingen naar binnen. Achterin de winkel klonk het geborrel van honderd luchtpompen in honderd aquariums; een lieflijk, geruststellend geluid. Je brood te verdienen begeleid door dat geborrel, dat leek me wel wat. Tevreden draaiden de vissen hun curven in de glasheldere wateren. Waarom hield Oscar Wilde zoveel van die dieren? ' I enjoy their silent companionship', heeft hij gezegd.

De bediende nam een plastic zak en graaide in een kistachtige ruimte. Het ging snel. Hij blies de zak op, knoopte hem dicht, hield hem voor mijn neus en zei: ' Zo ongeveer?' In een punt van de zak lag een bruin, wriemelend clubje dat ik blijkbaar besteld had.' Lopende pizza's', zei hij, verpakte de zak in een andere zak en wenste me een prettige dag.

Je hebt drie soorten dierenwinkels, dacht ik terwijl we met zijn eenentwintigen naar huis liepen. De eerste soort verkoopt de dieren die we opeten. Die winkels noemen we slagerijen. De tweede soort verkoopt de dieren die we vertroetelen. Dat zijn de dierenwinkels. De derde soort verkoopt de dieren die we kopen voor de dieren die we daarmee vertroetelen. Ook dierenwinkels. Een hagedis is een vertroeteldier, een krekel een consumptiewezen. Er is een dier dat met Kerstmis de noodlottige mutatie ondergaat. Dat is het konijn.

Dit overwogen hebbend, stond ik alweer voor het terrarium. Had ik gedacht dat de hagedissen als jonge, hongerige honden tegen het glas zouden springen? Dat ik dan, als de juist op tijd gekomen weldoener, de krekels voor hun bek zou gooien? Misschien had zo'n tafereel me met dit karweitje kunnen verzoenen. Ik gooide de christen-krekels in het hagedissen-colosseum en betrapte me erop dat ik een ogenblik keek zoals Nero moet hebben gekeken. Er gebeurde niets, althans niet wat ik had verwacht.

De hagedissen verroerden zich niet; van de krekels had zich na de verhuizing uit de benauwde zak naar deze fraaie lichte ruimte een nieuw optimisme meester gemaakt. Levensvreugde is een beter woord. Opgetogen beklommen ze de stenen en platen, een enkele bevoelde terloops de restanten van een voorganger maar draafde, zijn sombere gedachten onderdrukkend, meteen verder. Er klonk al een voorzichtig gesjirp. Geen tien minuten later hadden twintig gelukkige krekels hun volkslied ingezet. Als ik m'n ogen dichtdeed, kon ik geloven dat ik niet in een grotestadsappartement was maar op een warme zomeravond aan de bosrand met de stille heide voor me.

De hele nacht werd er uit volle borst gezongen. De volgende ochtend kon ik vaststellen dat een hagedis zijn rechterachterpoot had verzet. Waarom houden mensen een terrarium? Niet voor het vertier; althans dat wordt niet gebracht door de hoofdbewoners. De krekels hadden een vergadering belegd op een verwarmde steen.

Dit etmaal leek er weinig in de toestand te veranderen. Maar toen ik de volgende ochtend wakker werd, klonk het gezang zwakker. Geen wonder: in de omgeving van de vergaderplaats lagen verscheidene afgekloven schilden en poten. De hagedissen zaten roerloos alsof anderen het hadden gedaan maar hun buik was dikker.

Had ik gehoopt op een vreselijk schouwspel? Beeldspraak die me is bijgebleven: W. F. Hermans beschrijft het einde van een vlinder in een hagedissebek: alsof er een krant werd opgegeten. Krekels lijken meer op bruine worstjes. Bij al hun geagiteerdheid hebben ze iets vettigs, zodat je bij het zoeken naar een metafoor eerder aan het eten van een hot dog met mosterd zou moeten denken. Als ik het gezien had, tenminste. Maar waar niets is gezien is ook geen beeldspraak.

Ik hoor alleen de veranderingen. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, is er nog een zangertje in leven. Lopend over het knekelveld van zijn negentien familieleden sjirpt het uit alle macht, en het spijt me dat ik als mens het sjirpen niet machtig ben, laat staan de toonaard of de intonatie weet.

Zou zo ongeveer de laatste mens op aarde klinken?