'AMERIKANEN SCHIJNEN ZICH ALTIJD ZORGEN TE MOETEN MAKEN OVER ZICHZELF'

Joseph Nye - hoogleraar in internationale veiligheidsstudies in Harvards John F. Kennedy school for government - was staatssecretaris voorinternationale veiligheidsbijstand onder president Carter. Hij wasook de voornaamste buitenlandadviseur van de Democratischepresidentskandidaat Michael Dukakis in 1988. Er werd toen gezegd dat hij mikte op een ministerschap.

Anders dan Dukakis wordt zijn stem nog steeds gehoord. Zo valt hij in zijn pasverschenen boek de Yale-hoogleraar Paul Kennedy (The rise and fall of the great powers) aan op diens stelling dat Amerika net als eerdere grootmachten in staat van verval verkeert omdat het te veel militaire taken op zich zou hebben genomen. Nye: ' Amerika lijkt helemaal niet op de vroegere vervallen rijken waar Kennedy het over heeft. Die gaven zoveel uit aan militaire macht dat ze niets meer over hadden. Maar als de Amerikanen zes procent van hun nationaal produkt aan defensie zouden besteden, dan konden ze zich dat moeiteloos veroorloven. Maar nu zo tegen het einde van de Koude Oorlog hoeft dat niet eens meer. Ons probleem is politiek, niet economisch. De Verenigde Staten heeft de hoogste produktiviteit in absolute zin en het laagste belastingniveau van alle geindustrialiseerde landen. Als de mensen zeggen: 'We willen wel, maar we hebben geen geld, ' hebben ze ongelijk. Het tegendeel is waar: we hebben wel geld, maar niet de politieke wil om het uit te geven aan belangrijke zaken. We zouden de nieuwe democratieen van Polen en Tsjechoslowakije kunnen steunen en tegelijkertijd het onderwijs en de volksgezondheid kunnen verbeteren.' Is die onwil om geld uit te geven voor belangrijke zaken niet een teken van verval?'

Opiniepeilingen wijzen uit dat de Amerikanen geloven dat hun land in staat van verval is. Maar dat geloof stemt niet overeen met de feiten. Het is bijvoorbeeld niet waar dat Amerika aan het deindustrialiseren is. Het aandeel van de industriele produktie in het nationale produkt is van 1976 tot 1989 hetzelfde gebleven. En de produktiviteit is zelfs enorm gestegen.

Als je de belastingen met twee procent verhoogt, kun je het begrotingstekort oplossen en vijftig miljard dollar aan Oost-Europa geven. En als er drie procent meer van het nationaal produkt naar de belastingen gaat, heb je nog lang niet zulke zware lasten als in Nederland.

Het is niet de eerste keer dat men in Amerika denkt dat het land in staat van verval verkeert. Na de economische depressie rond 1890 werd er al veel over verval gepraat. Toen de Russen de Spoetnik hadden gelanceerd, had iedereen het er over. Na de oliecrisis in de jaren zeventig waren er zorgen over verval. Ik denk dat de laatste fase op gang werd gebracht door het begrotingstekort en door sommige problemen van het Reagan-tijdperk. Amerikanen schijnen zich altijd zorgen te moeten maken over zichzelf.

Maar omdat de feiten niet bij de stemming passen, zal de stemming zich uiteindelijk bij de feiten aanpassen. Als het Amerikaanse aandeel in het wereldprodukt voortdurend was gedaald en als de Amerikaanse militaire macht zodanig was gegroeid dat we het ons niet hadden kunnen veroorloven, dan zou de stemming zo zijn gebleven. De stemming zal dus veranderen.

Het interessante is dat volgens opiniepeilingen de mensen van Bush houden, gelukkig zijn met hun persoonlijk leven en zich weinig zorgen maken over kwesties op de korte termijn. Ze zijn bezorgd op de lange termijn. Je hebt niet langer de Koude Oorlog die dicteert wie je vijand is of wat je taak is. Dus weten ze het niet meer. Ze zijn beroofd van duidelijke markeringen om dingen aan af te meten. Ik denk dat dit bijdraagt tot hun onzekerheid. Het is ironisch dat er geen gevoel van triomf is, nu de Amerikanen min of meer de Koude Oorlog hebben gewonnen.' Hoe zal het zijn om nagenoeg alleen als grootmacht over te blijven?' Als men terugkijkt in de geschiedenis, is er niets dat lijkt op de huidige situatie. Daarom is het fout de wereld van na de Koude Oorlog te proberen te begrijpen door analogieen van het type Kennedy.

Als hij het vergelijkt met het Spanje van Philips de Tweede of het Frankrijk van Lodewijk de Veertiende of het Engeland van het begin van deze eeuw, maakt hij een grote fout. Zo kunnen we de toekomst niet begrijpen. Ik zie als gevaar dat de Amerikanen naar een nieuwe uitdager gaan zoeken. Als de Sovjet-Unie het niet is, moet het Japan zijn. Maar we moeten juist met Japan samenwerken om ons met vraagstukken op de wereldagenda bezig te houden, zoals de schulden van de minder ontwikkelde landen, het opwarmen van de dampkring, de dreiging van Aids-epidemieen. Het is verkeerd een nieuwe Koude Oorlog in economische zin te gaan voeren.' U trekt in uw boek een rechte lijn van nu naar de toekomst. Maar loopt de geschiedenis niet altijd langs kronkelwegen met onverwachte gebeurtenissen zoals de val van de Berlijnse muur?' Omdat de geschiedenis niet volgens een rechte lijn verloopt, ben ik juist optimistisch over Amerika. Het is een open samenleving. We hebben de capaciteit uit andere landen mensen op te nemen. Dat is een bron van nieuwe kracht. Vorig jaar was, in het eerste jaar van Harvard, dertien procent Aziatisch Amerikaan. Velen daarvan waren pas een generatie in het land. Een dergelijk opnemingsvermogen hebben de Japanners niet. De gebeurtenissen verlopen niet volgens een rechte lijn, want je weet niet wie de volgende generatie zal zijn of hoe het land zichzelf zal herscheppen. Engeland had deze kracht niet. Als de Amerikanen protectionistisch zouden worden, een einde zouden maken aan immigratie en zich naar binnen zouden keren, dan zou ik pessimistisch zijn.' Toch kent Amerika grote problemen. U noemde zojuist het onderwijs dat moet worden verbeterd.' Bij onderwijs is het goed te zeggen dat het Amerikaanse hoger onderwijs nog steeds het beste ter wereld is. Onze beste vijftig onderzoeksuniversiteiten bevinden zich nog steeds in de wereldtopklasse. Het niveau van de middelbare school, dat is minder. Een kwart tot dertig procent van de Amerikanen maakt de middelbare school niet af.

In Japan maakt vijfennegentig procent de middelbare school wel af. Toch is in Amerika het percentage schoolverlaters afgenomen. Dus het is geen verval, we voldoen alleen niet aan de nieuwe maatstaven. Ik zeg niet dat alles goed is. Mijn boek constateert dat er veel problemen zijn, maar dat we die kunnen veranderen als we willen. Paul Kennedy is Brits en komt uit een samenleving die dit soort problemen niet heeft opgelost. Ik ben duidelijk een Amerikaan uit een samenleving die in staat is zichzelf te herscheppen. De een ziet een half vol, de ander een half leeg glas. Dat is een kwestie van nationale verschillen.'