Samenwerking bedrijfsleven en scholen in kinderschoenen

GELEEN, 25 mei Het grote geld en het onderwijs vonden elkaar vorig jaar april in Geleen. Chemie-gigant DSM beloofde vijf jaar lang medewerkers, gebouwen en hoogwaardige apparatuur ter beschikking te stellen aan enkele middelbare technische opleidingen. Daarmee konden de scholen drie nieuwe vakopleidingen starten (regeltechniek, materiaal technologie en onderhoudstechniek). De scholen waren blij met het initiatief. Voor nieuwe apparatuur gaf het ministerie van onderwijs chronisch te weinig geld. Bovendien vergrootte het contact van de docenten met het bedrijfsleven hun know-how. DSM hoopte dat de dure bijscholing van maar liefst 33 maanden die tot dan toe beginnende werknemers op de drie gebieden moesten krijgen, tot het verleden zou gaan behoren.

Het Limburgse initiatief vond veel weerklank. Het model maakte een half jaar later deel uit van de voorstellen van enkele top-ondernemers waarin ook DSM was vertegenwoordigd, om de samenwerking vast te leggen in 'adoptie-contracten' van bedrijven met scholen.

De commissie-Rauwenhoff van deskundigen uit bedrijfsleven en onderwijs die in haar eergisteren bekend geworden rapport het kabinet voorstellen doet over een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, spreekt liever over 'co-makership'. Bedrijven en scholen in het MBO en HBO zouden afspraken moeten maken over het gemeenschappelijk gebruik van gebouwen en apparatuur en nascholingscursussen.

Niet alleen in Geleen is de samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven praktijk. Het aantal pioniers op dit gebied neemt snel toe, en daarmee de hoeveelheid vragen die de contacten tussen industrie en onderwijs oproept.

Toen DSM en de scholen in Heerlen en Sittard aan hun plannen werkten dook de vraag op in hoeverre de inrichting van het nieuwe lesprogramma zich specifiek zou moeten richten op de behoeften van het chemie-concern. Het ministerie van onderwijs maakte duidelijk dat dat niet te veel het geval kon zijn, wilden de scholen hun subsidie uit Zoetermeer houden. Ook mocht het lesprogramma niet doorschieten naar een opleiding voor de hogere specialistische functies. Het moest vooral aansluiten op de vaardigheden van een beginnend werknemer in de genoemde nieuwe sectoren.

De protestants-christelijke MEAO en MMO (middelbaar middenstandsonderwijs) Abstede in Utrecht zag twee jaar geleden ook wel wat in nauwere betrekkingen met een aantal ondernemingen. Uit gesprekken met oud-leerlingen was gebleken dat er nogal wat lacunes in de opleiding zaten.

Tijdens de verbouwing van de school zette de kantoor-industrie Ahrend gratis een computerlokaal neer. De onderneming werd nauw betrokken bij onder meer de advisering over lesplannen. Voor dit doel werden voor de diverse vakrichtingen adviesgroepen samengesteld waarin ook vertegenwoordigers van andere ondernemingen zitting namen.

Dit wierp de vraag op in hoeverre de school haar autonomie tegenover het bedrijfsleven zou prijsgeven. De directie vond dat dat niet kon en behield zich uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de voorstellen van de bedrijven in de adviesgroepen naast zich neer te kunnen leggen.

De Utrechtse school ondernam ook contract-activiteiten samen met het arbeidsbureau in Amsterdam. Docenten 'Logistiek' gingen werklozen met MBO- en HBO-opleidingen bijscholen in dit veel gevraagde vak. Het gevaar dreigde dat alpha-achtige richtingen van de school buiten spel kwamen te staan in de nieuwe bedrijvigheid. Zou de ene opleiding (de talen) zo minder waard worden dan andere (logistiek)? De discussie daarover verstomde toen de directie erin slaagde voor docenten Nederlands een contract 'Bedrijfscorrespondentie' binnen te slepen met een verzekeringsmaatschappij die vond dat het taalgebruik van haar agenten in hun brieven voor verbetering vatbaar was.

Tenslotte doet zich de vraag voor naar de financiele voordelen voor de scholen van co-makerships, adoptie, contract-activiteiten en andere vormen van samenwerking. Wie een schooldirecteur hierover aanspreekt krijgt meteen te horen dat de nieuwe bedrijvigheid vooralsnog natuurlijk niets oplevert. Daarvoor staan de meeste activiteiten nog teveel in hun kinderschoenen. Ook is het aandeel daarvan in het werk van de docenten te klein. Hooguit twintig procenten van dat werk, en dan nog meestal als overuren, gaat aan dergelijke activiteiten op. En stel je voor dat de school er wel een substantieel bedrag aan zou overhouden. Zou dat geen mooi excuus zijn voor de door geldtekorten geteisterde minister van onderwijs om zijn geldkraan verder dicht te draaien?

    • Kees Versteegh