Ossen grazen in de schemering

Wie heeft er nog tijd voor de natuur? We vliegen door het landschap en van fruit en groenten wordt verwacht dat ze zich haasten in hun groei, want we moeten altijd nog ontzettend veel doen. Marianne Vermeijden reisde naar Wenen en zag er een tentoonstelling over de natuur in de kunst: krimpende paprika's, twijgjes op een paal en een zitbank van gras.

Langs de wand valt een vette druppel naar beneden. Hij heeft zich losgeweekt van een doorzichtige klont. Zou het de honing zijn van de jagers in Nepal? Op ellenlange bamboe-ladders trekken ze zich omhoog naar de rotspunten van de Himalaya, omgeven door zwarte bijenwolken. Foto's van die jagers stonden pas in de National Geographic.

Misschien komt die druppel helemaal niet uit Nepal. Misschien ligt daar alleen maar een klodder vet. Er is geen stem die uitleg geeft, geen ondertiteling, geen muziek. De camera glijdt weg van de gele klont glijdt verder langs onderaardse gewelven, langs druipsteenpegels, over de bodem van een azuurblauwe zee. Zorgeloos drijft de toeschouwer mee, op golven van kleuren en vormen.

En net op het moment dat je onderuit wil gaan zitten om deze natuurfilm rustig te bekijken, is het feest afgelopen. De lens zoemt in op een bloedrode massa kloppende en pompende organen. Er komt een vlieg voorbij, hij landt en kruipt weg in het glibberige vlees. Steeds meer insecten gaan de vlieg achterna. Het kloppen en pompen houdt op. Een krioelende horde verovert de ingewanden van een bison. Het geroezemoes zwelt aan tot een gulzig bromgejuich.

Bij de video-opnamen van die bison stappen de meeste toeschouwers op. De dood heeft niets aanlokkelijks. En trouwens, wie heeft er nog tijd om zo lang naar een zeebodem of een dierenhuid te staren? Niemand toch! We moeten verder, onze agenda's staan vol afspraken, we hebben een uurtje uitgetrokken voor de tentoonstelling 'Von der Natur in der Kunst' in Wenen. Op een film van anderhalf uur is niet gerekend. Kon het dan niet wat korter? Nee, dat kon niet, moet de Amerikaanse kunstenaar Bill Viola gedacht hebben.

In de videozaal van het Weense Messepalast gebeurt precies datgene waar Viola het over lijkt te hebben. We staan liever niet meer stil bij leven of dood. Er is geen tijd voor bezinning, voor het onnadrukkelijke detail, voor het intens observeren van de natuur. We reizen niet meer door het landschap, we vliegen. Van fruit en groenten wordt verwacht dat zij zich haasten in hun groei. Geen sudderlappen, maar magnetron, want wij moeten nog zoveel doen en zoveel bereiken: 'het zijn' schiet er bijna bij in. De tijd is een vijand, die overwonnen moet worden, de stilte een dreiging.

Samen met twee andere bezoekers kijk ik de film tot het bittere eind uit. We houden een paar oerossen gezelschap. In de avondschemering grazen ze voort op een stille vlakte. Ze kauwen, herkauwen, en staren maar wat. Ze 'zijn' er alleen maar: bonkige heuvels in het landschap. De hemel is zwanger van onweer. De wind loeit. Nauwelijks merkbaar verandert het verdrietige oude-mannen-oog van de os in het wijze knikkeroog van een bosuil. In de pupil zie je hoe de cameraman zijn best doet de uil zo dicht mogelijk te naderen.

Bill Viola dwaalt verder door bossen en bergen. 'sNachts maakt hij aan zijn bureau plannen onder het kille licht van een schemerlamp. Je hoort huisgeluiden, dat is alles. Het water dat uit de kraan in zijn glas klatert, weerspiegelt zijn interieur. Er schuifelt een echte olifant om zijn salontafel, een slak sleept zich uit een piepklein gouden bootje, na veel gekraak kruipt er zomaar een kuiken uit een ei. Het blijft uitgeput op zijn rug liggen. Viola pleegt geen censuur op zijn associaties.

Eindelijk zijn we vertrouwd geraakt met dat onwennige, dat trage oosterse ritme, als plotseling fragmenten uit alle voorafgaande beelden als een dolgedraaide achtbaan voorbijflitsen. Het lijkt wel een aankondiging van het acht-uur-journaal. Niets laat zich meer goed bekijken laat staan dat we die beelden kunnen overdenken. De aftiteling volgt, het daglicht dringt binnen. We zijn weer thuis in het Westerse Wenen, op de tentoonstelling 'Von der Natur in der Kunst', het eerste belangrijke evenement van de Wiener Festwochen.

Onder een raam in de Singerstrasse hoorde je vanmorgen vroeg al iemand oefenen op een huilende viool. Achter een gevel in de Weihburggasse repeteerde een meisjeskoor. Het klonk kerkelijk en lief. Te lief als je in dezelfde straat ineens oog in oog staat met een zelfportret van Egon Schiele, die zich verbergt achter zijn knokige handen. Samen met vijftig andere tekeningen en aquarellen is het portret tentoongesteld bij Galerie Wurthle (tot 23 juni) ter gelegenheid van Schiele's honderdste geboortejaar. Wenen eert hem straks met een groot overzicht.

De stad heeft dit voorjaar veel te bieden: Mozarts Don Giovanni, Shakespeare's Hamlet in drie verschillende versies, Mann ist Mann van Bertolt Brecht, Platonow van Anton Tsjechov, Elisabeth II van Thomas Bernhard, veel Pools toneel, Klanglandschaften van Bill Fontana, de staatsopera met Verdi's Aida. Het programma van de Wiener Festwochen past maar net in een centimeter-dik pocketboek. De hotelportier had gisteravond geen tijd voor lastige vragen. Hij moest zijn kaartjes nog ophalen voor Die Zeit und das Zimmer van Botho Strauss.

Officieus is het festival begonnen met 'Vivre': Een gekunstelde licht- en geluidsinstallatie over de Tsjechische journaliste Milena Jesenska, vriendin van Franz Kafka. 'Hij was een uitzonderlijke diepe wereld', schreef ze na zijn dood. Je hoort uit het plafond de stem van actrice Hanna Schygulla, die zinnen voorleest uit Jesenska's liefesbrieven en krantepublikaties: 'Wenn man zwei oder drei Menschen hat, was sage ich, wenn man einen einzigen Menschen hat, dem gegenuber man schwach, armselig und zerknirscht sein darf und der einem dafur nicht wehtut, dann ist man reich'. Milena Jesenska moet diezelfde levensdrift hebben gekend als Etty Hillesum. Ze stierf in Ravensbruck, kort voordat de Amerikanen er binnentrokken, 48 jaar oud. Je komt helaas niet veel over haar te weten, want 'Vivre' is vooral vormgeving en weinig inhoud.

Over de tentoonstelling 'Von der Natur in der Kunst' heeft Wenen nogal opgeschept. Op de omslag van de kleurendruk-folder stond het mooie bronzen hoofd van de god Pan. Een beeld van de Italiaan Claudio Parmiggiani naar het klassieke model van een jongeling. Uit zijn kruin groeit een echt bonsai-boompje. Pan is dood. Er stond nog een andere, bijzondere foto in die folder, gemaakt door William Wegman: een in zijde gehulde hond, die als een vooroorlogse actrice is uitgedost met een permanent van oranje veren en kwasten. Het schrijnt als een mens probeert een dier een mens te laten zijn.

Het tentoonstellingsthema was ruim opgevat, dat bleek wel. Bovendien actueel, want het maart-nummer van het blad Kunstforum was al gewijd aan 'Kunst und Oecologie', aan Animal Art bij voorbeeld: kunstwerken met opgezette aapjes, kikkervisjes, met loslopende en in folie verpakte kippen. Sommige kunstenaars gebruiken geen dieren, ze laten het smerige milieu het werk doen. Ze hoeven alleen te zorgen voor inlijsting van het linnen of het papier dat drijvend in beken of rivieren moeiteloos vale tinten geel, oker of morsgroen aanneemt. De kleur van het kunstwerk hangt af van de organismen en chemicalien in het water, en van de drijftijd.

Peter Weiermair, directeur van de Frankfurter Kunstverein en samensteller van 'Von der Natur in der Kunst' heeft in Wenen geen accent gelegd op een bepaalde tendens. Hier en daar plukte hij wat van zijn gading. Werken van zo'n veertig kunstenaars, van heinde en verre, die 'poetisch, meditatief, analytisch of kritisch' met de natuur van doen hebben. Het gaat hem om een ethische houding van de kunstenaar, om de tegenstelling kunst-natuur, om de maatschappelijke zaak die de bedreigde natuur geworden is, om de eenheid tussen mens en natuur. Het gaat hem om teveel verschillende facetten.

Op de lijst van genodigden komen de bekende namen voor: Marina Abramovic, Giovanni Anselmo, Joseph Beuys, Tony Cragg, Enzo Cucchi, Ian Hamilton Friedmann, Gilbert en George, Richard Long, Boyd Webb, Isamu Noguchi, Arnulf Rainer. Ze brengen ieder een of twee beelden, installaties, foto's, schilderijen, tekeningen uit de jaren tachtig. Je weet een beetje wat je kan verwachten: een tafel van Mario Merz bij voorbeeld, dit keer bedekt met echt fruit en echte groenten, en de hyper-esthetische, -erotische kelken van fotograaf Mapplethorpe, die, 'de dingen wilde zien, zoals ze nog nooit gezien waren'. Het werk van Claudio Parmiggiani, de maker van de bronzen Pan, staat in het middelpunt van de zaal. Vlak voor de deur rust zijn reusachtige bal van klei, waarop tientallen handafdrukken zijn achtergelaten. Richard Long is aanwezig met zijn 'St. Gallen Circle'; twee halve, elkaar aanvullende cirkels, een van pikzwarte kolen en een van muiswit marmer. Je kan er in de zaal maar net omheen lopen, zo weinig ruimte kreeg Long. Onterecht, want na al die jaren hebben zijn 'stenen sporen' nog steeds magie in zich, ze markeren 'een plaats des onheils'. Long construeert 'archaische' plekken, de Amerikaanse fotograaf Thomas Joshua Cooper zoekt ze op. Hij fotografeerde de vlakte rondom de Masada bij de Dode Zee. Versleten stukken aardkorst, diep weggezonken in datzelfde onwerkelijke witte licht dat op de eerste maanfoto's schijnt. Zijn opnamen lijken in gedetailleerdheid op die van zijn bekende landgenoot Ansel Adams. Ze laten de werkelijkheid preciezer zijn dan jezelf met het blote oog kunt waarnemen.

Een van de mooiste beelden heeft Giuseppe Penone gemaakt. In een meterslange, aan vier kanten recht afgehakte paal keert gedeeltelijk de oorspronkelijke vorm, de boomstam, terug. Alle scheuten zitten weer op hun plaats, de uiteinden zijn verschroeid. Aan deze reus zullen nooit meer twijgjes verschijnen, hoe natuurgetrouw hij er ook ziet. Volgens Penone bewaart een boom in zijn vorm de herinneringen aan zijn ervaringen. Het is cultuur om die herinneringen te ontrafelen en het is de beeldhouwkunst die aan die herinneringen vormgeeft.

Er zijn naar verhouding weinig schilderijen op de benauwd ingerichte Weense tentoonstelling. Driedimensoniale werken horen hier ook eerder thuis dan linnen en verf. 'De natuur' associeer je nu eenmaal met ruimten, diepten en verten. Je kan de heuvels op, het water in, de bossen door. De ruimtelijke beelden en installaties, samengesteld uit organische materialen als riet, hout, klei, zand en aarde, geven de bezoeker de illusie dat het 'buiten zijn', het romantische 'terug-naar-de-natuur', binnen handbereik is. Het platte vlak schiet daarin tekort. We weten ook teveel over de samenstelling van land, lucht en water om nog genoegen te nemen met de uitbundig geschilderde bloemenprachten van Max Weiler. Er is meer aan de hand.

Het is drie uur treinen van Wenen naar Boedapest, van een zandkleurige naar een asgrauwe stad. In de Nationale Galerie op De Burchtheuvel hangen de schilderijen van Pal Szinyei Merse (1845-1920). In vitrines liggen zijn eerste krabbels, zijn zakhorloge, zijn onderscheidingen. Op reeksen foto's zien we hem als 'grand seigneur' zijn vrienden ontvangen. Hij poseert vaak in jagerskostuum, met een geweer in de aanslag. Op de achtergrond staat zijn 'buiten', dat enkele vitrines verder is vervallen tot een uitgebrande ruine.

Hongaren zijn trots op Pal Szinyei Merse, ze zeggen dat hij een pionier was. Zonder op de hoogte te zijn van het werk van zijn Parijse collega's ontwikkelde hij een eigen impressionisme. Eerst leerde hij de academische kneepjes van het vak in Munchen, hij raakte daar onder de indruk van de School van Barbizon, van de Franse plein-air-schilders, die de invloed van het licht op vorm en kleur onderzochten, en pas in 1905 reisde hij naar Parijs, waar hij in het werk van anderen herkende wat hem zelf had beziggehouden.

In Boedapest hangen de strenge stillevens en portretten, die hij onder toezicht van zijn Duitse leraren maakte. Elke dauwdruppel of baardhaar moest 'tastbaar' zijn. Tegen zijn zin in moest hij ook nog romantische voorstellingen schilderen, een suicidale Faust, nonnen en ridders.

Eenmaal weer thuis in Noord-Hongarije ontstonden naturalistische portretten van familieleden, elegante schilderijen van moeders met kinderen die zich verpozen op het gazon, maar ook doeken waarbij hij zijn penseel veel losser durfde te hanteren. Een vrouw die de was ophangt, is tot een paar vlekken teruggebracht. Boven haar hoofd jagen de wolken. Snel en puntig zijn de stokrozen neergezet, alsof de wind niet alleen het wasgoed deed bollen, maar ook de schilder voortjoeg.

Werken uit een en hetzelfde jaar kunnen stilistisch zo uiteenlopen, dat zich in Szinyei Merse wel drie schilders lijken te verschuilen. Die wispelturigheid of onzekerheid is er misschien de oorzaak van geweest dat hij tien jaar lang niet kon schilderen. Een aantal doeken liet hij na in een schetsmatige staat. Soms zijn ze ontroerender dan dat naturalistische perfectionisme, dat hij maar moeilijk kon loslaten. Eigenlijk zocht Pal Szinyei Merse in die verschillende stijlen almaar naar hetzelfde, naar harmonie, naar eenheid tussen mens en landschap. Er mocht een enkel fel accent op zijn doek voorkomen, maar verder moest er strelend zonlicht zijn, en geen al te forse schaduwen. Het voorjaar was ongetwijfeld zijn favoriete seizoen. Op de poesta's gaat het er ruiger aan toe. De aarde lijkt er weerbarstig, en de luchten loodzwaar. Het is er altijd herfst. Pal Szinyei Merse kon geen zeeen schilderen, de golven bij Capri lijken van bordkarton. Hij hoorde thuis in Hongarije, waar de appelbloesem en de klaprozen onnadrukkelijk bloeiden, waar vrienden, familie en passanten net zo vertrouwd waren met het landschap als de schilder zelf. Terug in Wenen ga ik nog een keer naar 'Von der Natur in der Kunst'. Op de tafel van Mario Merz is de bloemkool een beetje bruin geworden, de paprika's krimpen al. Drie beelden, die verspreid door de zaal staan, hebben ineens iets met elkaar te maken. Daniel Spoerri ontwierp een zitbank met een sierlijk gebogen rugleuning. Niets bijzonders, ware het niet dat hij als materiaal echt meigroen gras gebruikte. Dagelijks wordt het meubelstuk besproeid.

Naast die bank hoort de stellingkast te staan van Herman de Vries. Een Nederlander, die sinds 1970 in het Duitse Eschenau woont. Op de houten planken liggen stapels gebundelde krantenpagina's, waartussen hij gedroogde planten bewaart, verzameld tussen 1971 en 1989. De randen en omslagen van de dossiers zijn verstoft en vervuild. Er steken velletjes papier uit met 'gomera', 'Senegal', 'sassagres', 'Arnhem' en 'CSSR'; dat zullen de vindplaatsen wel zijn. Herman de Vries geeft veel te denken, over vergankelijkheid, over de zinloosheid van archiveren, over de toekomstige marktwaarde van het planteblad.

De Amerikaan Vincent Shine maakt het drieluik compleet. Op enkele centimeters wandruimte illustreert hij ongewild waar zijn landgenoot Bill Viola anderhalf uur videofilm voor nodig had. De meeste bezoekers lopen namelijk achteloos voorbij aan zijn werk, aan zijn drie planten. En dat is jammer, want ze hebben de tekstbordjes en 'het wonder' van Shine gemist. Uit neopreen, ethyleen vinyl, acetaat, cyanocrylaat, plexiglas en acrylverf ontwierp hij papyrus-loten en eendekroos die niet van de levende soortgenoten zijn te onderscheiden. Nog steeds vraag ik me af of die plantjes niet stiekem elke nacht worden ververst en of die vochtige worteltjes van dat kroos niet kort voor binnenkomst van de bezoeker even in een emmer water worden onderdompeld.

Shine's uitvinding moet dichtbij de canape van Daniel Spoerri hangen, naast de kast van Herman de Vries. Het interieur is compleet. De bank staat voor het heden, de kast voor het verleden en de plantjes symboliseren de toekomst van de natuur.

MARIANNE VERMEIJDENDe Weense tentoonstelling Von der Natur in der Kunst duurt tot 15 juli, de tentoonstelling over Pal Szinyei Merse in Boedapest tot 15 augustus.