Een nette ridder in een rode maillot

Niet alle zestig polyptieken die in het Louvre in Parijs zijn tentoongesteld, zijn 'veelluiken' in letterlijke zin. Vele schilderstukken bestaan uit een enkel paneel zonder luiken die kunnen worden dicht-geklapt. Maar ze zijnwel allemaal een tentoonstellinkje op zichzelf. 'Het bekijken ervan is naast een opwindend genoegen ook een kwestie van studieuze arbeid.' Het tableau 'Le Bien et le Mal', in 1832 geschilderd door Victor Orsel, doet denken aan de voorkant van een met veel goudgeel versierde jukebox uit onze jaren zestig. Het heeft de vorm van een boograam en toont een reeks voorstellingen die stuk voor stuk in een geschilderd lijstje zijn geplaatst, als vakjes op het bord van een gezelschapsspel. 'Le Bien et le Mal' bestaat uit een enkel paneel en is dus eigenlijk geen polyptiek in de oorspronkelijke betekenis, dan zou het moeten zijn samengesteld uit losse panelen die met scharnieren aan elkaar vast zitten. Want in het Grieks betekent poly 'veel' en ptychos 'vouwen'. Bij ons heet een polyptiek een veelluik, een grote familie die begint bij een diptiek, een tweeluik, vervolgt met drie luiken, een triptiek, en dan oploopt tot een heptaptiek, een zevenluik, en verder.

De samenstellers van de tentoonstelling 'Polyptyques' ('le tableau multiple du moyen age au vingtieme siecle') in het Louvre hebben bij hun keuze van de kunstwerken de voorwaarde van het vouwen, van het dicht kunnen klappen niet al te zwaar laten wegen, getuige de aanwezigheid van 'Le Bien et le Mal' en vele andere schilderstukken die uit een enkel paneel bestaan. Bij deze enkelvoudige stukken moet de polyptische aard kunstmatig in dit geval letterlijk aanwezig zijn. Op deze tableaus staan verschillende voorstellingen die van elkaar zijn gescheiden door een spatie, een geschilderde lijst of geschilderde of getekende architectonische attributen als zuilen of pilasters.

Zoals de ondertitel al doet vermoeden is de tentoonstelling in de nieuwe ondergrondse zalen van het Louvre chronologisch opgezet. Het eerste gedeelte bestaat uit een prachtige collectie religieuze altaarstukken uit de late middeleeuwen waarvan de meeste wel met scharnieren zijn uitgerust. Bij deze polyptieken waren de scharnieren functioneel, want de luiken bleven in de kerk gesloten op 'gewone' dagen, dat wil zeggen op dagen van boetedoening. Daarom zijn de achterzijden van de panelen vaak in grisaille beschilderd, Adam en Eva in het grijs, om aan te sluiten bij de sobere steenkleur en het beeldhouwwerk van het kerkinterieur. De feestelijke, met veel goudgeel uitgevoerde voorkanten met fragmenten uit het evangelie of episoden uit het leven van de maagd Maria of andere heiligen, bleven bestemd voor religieuze hoogtijdagen. Bij de vroege polyptieken was de scharnierfunctie dus buitengewoon essentieel.

Duivel

Het veelluik 'Le Bien et le Mal' is dus weliswaar geen polyptiek in de oervorm het valt niet dicht te klappen het draagt verder wel alle kenmerken die des polyptieks zijn, voor alles: het vertelt een beeldverhaal. Of eigenlijk vertelt het twee beeldverhalen, een dat goed en een dat slecht afloopt.

In het middenveld zien we de morele tweespalt al in volle omvang aangegeven. Op een rotsplateau in de vorm van het voeteneind van een tweepersoons bed zitten twee jonge vrouwen, een blonde en een donkere. Door haar houding, het ronde gezicht, de verzorgde haardracht en het lange, bleekgroene gewaad is de blonde vrouw het toonbeeld van zedigheid. Ze zit met gestrekte rug, heeft haar rechterhand in de buurt van haar hart gelegd en houdt met haar andere hand een opengeslagen Heilige Schrift vast. Omdat ze leest zijn haar oogleden half neergeslagen waardoor haar preutsheid, die door een stevige engelbewaarder met schild en zwaard wordt bewaakt, niet preutser kan.

De andere vrouw draagt een lang rood gewaad. Het donkere haar hangt los over haar schouders. Bij haar ligt de Heilige Schrift op de grond. Vooral omdat ze haar benen over elkaar heeft geslagen, maakt haar houding een moderne, vrijgevochten indruk. Haar rechter elleboog steunt op haar linkerknie en haar kin ligt in haar rechterhand waarvan de wijsvinger over haar lippen kromt. Met haar mooie, donkere ogen wijd open is zij een en al ontvankelijkheid voor de verzoekingen die haar door de duivel het vleermuismonster fladdert ter hoogte van haar linkeroor onder een onheilspellende wolk door een benen toeter worden ingefluisterd.

Na het bestuderen van deze voorstelling, die als muurschildering in een disco veel bijval zou oogsten, kan de toeschouwer op het tableau twee kanten op: le bien et le mal.

Wie de eerste weg volgt, krijgt te zien hoe het brave, devote, bleekgroene schepseltje eerst een nette ridder in een rode maillot aan haar ouders voorstelt en daarna keurig een door god en gebod gesanctioneerde nakomeling op de gelukzalige wereld zet. Maar wie de andere kant opslaat op het paneel rechtsaf bij het bordje 'contatio', daarna richting 'Libido' volgen is ooggetuige van een korte, maar krachtige geschiedenis die onafwendbaar tot eeuwige verdoemenis leidt.

Onze donkere, verleidelijke vriendin laat zich op het vurige paard van de ridder van haar hartstochten meevoeren op een tocht die rechtstreeks door de in beeld meevliegende duivel wordt geregisseerd. Ook zij krijgt een kind, maar de geharnaste vader heeft dan al zijn biezen gepakt en laat haar over aan haar wanhopig lot. De baby wordt dodelijk getroffen door een ijzeren kruis en de alleenstaande moeder bungelt op het laatste plaatje levenloos aan een boomtak. Een omgevallen keukenstoel op het bospad bewijst dat bepaalde zelfmoord-methoden van alle tijden zijn.

Ik sta zo uitvoerig stil bij dit rechtlijnige, hoewel in mijn ogen ironische werkstuk van Victor Orsel uit 1832, omdat het zo'n goed voorbeeld is van de inhoudelijke kenmerken van een polyptiek, namelijk het in de vorm van geledingen gelijktijdig zichtbaar maken van verschillende episoden van een geschiedenis, van een stemming, van een onderzoek. Met 'Le Bien et le Mal' gaf Orsel een tweevoudige illustratie van de eerste categorie.

Geleding

Omdat elke polyptiek eigenlijk een tentoonstellinkje op zichzelf is het in het Louvre geexposeerde zestigtal is helaas niet altijd even goed belicht is het bekijken van de verzameling veelluiken, naast een bindend genoegen ook een kwestie van studieuze arbeid. Niet alleen wordt onze kennis van het evangelie op de proef gesteld, het getoonde doet ook een aanslag op ons vermogen om historisch beladen beeldverhalen te lezen en te interpreteren de strip van Orsel was kinderspel symbolen te verklaren, stemmingen te ontrafelen en de resultaten van kleur- en vormonderzoek te doorgronden. Waarschijnlijk is dat de reden waarom deze tentoonstelling niet behoort tot het type drommen-expositie. De doorsnee bezoeker van 'Polyptyques' maakte een intensief geinteresseerde indruk en nam de tijd voor zijn onderneming. Het zal deze gemeenschappelijke instelling zijn waardoor er bij de bezoekers van deze Louvre-zalen een gevoel van beschaafde saamhorigheid viel op te merken. Men raakte soms zelfs met elkaar in gedempt gesprek en als een vorm van eerste hulpverlening werden wetenswaardigheden uitgewisseld. Dit vond vooral plaats in de zalen met de polyptieken uit de negentiende en de twintigste eeuw omdat hier, meer dan bij de altaarstukken, zich de vraag aandiende wat de kunstenaar heeft bewogen om te kiezen voor een verbeelding in geledingen in plaats van een enkel stuk.

Op het eerste gezicht lijkt bij voorbeeld het prachtige drieluik 'Gli Affetti' uit 1910 van Giacomo Balla oorspronkelijk een doek te zijn geweest. Op het middendeel zit Balla's vrouw met hangend over haar knieen dochtertje Balla, dat met beide handjes een brief vast houdt. Gedempt licht valt van rechts de kamer binnen en zet moeder en dochter in een zwaar romantisch schijnsel. Op de achtergrond is een deel te zien van een van de diptieken die Balla schilderde van de tuinen van Villa Borghese. Zou Balla het bij het middenluik hebben gelaten wat heel goed had gekund want het is een afgeronde voorstelling dan had hij een schilderij gemaakt dat we vermoedelijk zouden indelen bij het genre goed geschilderde, laat negentiende-eeuwse kitsch. Maar hij liet het er niet bij. Hij voegde aan de kamer met het zoete moeder-dochter-tafereel twee hoeken toe die elk een eigen betekenis hebben en ook hoeken van dezelfde kamer lijken te zijn. Rechts een hoek met een open raam waardoor het licht naar binnen valt dat moeder en dochter op het middendoek lijkt te beschijnen en links een donkere hoek met een stoel waar een jas aan hangt en een oplichtende tafelrand die de rand van de tafel op het middendoek lijkt te zijn. Door de twee zijpanelen, die met een spatie van het middendoek zijn gescheiden maar er toch een verlengstuk van schijnen, verandert het sentimentele moeder-dochter-tafereel in een parodie. Het is deze wisselwerking waardoor het drieluik 'Gli Affetti' van Balla zo vrolijk is en tegelijk diep ontroerend. Het is het ideale veelluik want de afzonderlijke delen betekenen niets, of iets geheel anders, wanneer ze van elkaar worden gescheiden. De meerwaarde wordt pas door de samenhang verkregen.

Dit moet de kostbaarste eigenschap van een polyptiek zijn. Het grote veelluik van Otto Dix met drie voorschetsen voor 'La grande Ville' (1927-1928) bezit ontegenzeggelijk deze eigenschap. Het middendeel vertoont het interieur van een druk bezochte jaren-twintig nachtclub-met-cabaret op de afbeelding waarvan Dix (en George Grosz) het patent heeft. Jazzmusici, een paar dat de charleston danst, dikke travestieten half in hun blootje, een broodmagere danseres in een geheel doorschijnend gewaad dat eigenlijk die naam niet meer mag dragen. Op de panelen links en rechts van dit verloederd erotische toneel staan fragmenten getekend van wat zich buiten in de directe omgeving van de nachtclub afspeelt. Links wordt een oorlogsslachtoffer met twee houten benen onder het toeziend oog van een paar hoeren door een keffende hond aangevallen. Rechts komen verliederlijkte bezoekers uit een goedkoop pompeus theater waarvoor een bedelaar zich heeft geposteerd. Zo zien we in een gruwelijke klap, interieur en exterieur met bijbehorende stemmingen van een decadent universum. Alleen een polyptiek is daartoe in staat.

Rene Magritte maakte met het vijfluik 'L'evidence eternelle' (1930) een schattig naaktportret van zijn vrouw Georgette. Ook hier geldt dat de, in dit geval ironische en vertederende meerwaarde uitsluitend afkomstig is van de vindingrijke samenhang. Ook een ideaal werkstuk.

Hoewel 'Polyptyques' in het Louvre (tot 23 juli) werk laat zien van vele grote twintigste-eeuwse kunstenaars als Francis Bacon, Anselm Kiefer, Markus Lupertz, Brice Marden, Cy Twombly, Ellsworth Kelly, Jasper Johns, Max Beckmann, Roberto Matta, Serge Poliakoff en vele anderen, zijn er weinig in deze eeuw geschilderde polyptieken op deze tentoonstelling, die de intrigerende schoonheid van de veeluiken van Balla, Dix en Magritte kunnen evenaren. Dat neemt niet weg dat 'Polyptyques' als geheel een geweldige belevenis is, tenminste als de bezoeker er de nodige tijd aan wil spenderen en bereid is zich 'for the time being' aan te sluiten bij een beschaafd en intelligent gezelschap saamhorigen.

    • Max van Rooy