De kikkerprins

Laatst sprak ik Karel Kikker. Ik vroeg hem naar zijn ervaringen met de eigenares van de gouden bal die hij ooit uit een vijver had gedoken. Hij vertelde: 'Ik had haar al veel vaker gezien, maar zij mij nooit. Hoe ik ook langs liep of in de buurt rondhing, het hielp niks. Ik heb eens speciaal een liedje ingestudeerd om voor haar te zingen, in de hoop dat ze op zou kijken, of misschien wel meezingen stelde ik me voor. Een week lang elke dag geoefend en toen ik het kon, heb ik het gezongen terwijl ik vlak langs haar liep. Gek, thuis was me dat nooit opgevallen, maar toen ik het voor haar zong hoorde ik ineens hoe afschuwelijk het klonk. Zingen is niet mijn sterkste kant. Dus toen die prachtige bal van haar een keer in de vijver rolde aarzelde ik geen seconde. Ik was al nat voor ik wist dat ik er achteraan gedoken was. Het kroos zat in mijn oren toen ik weer boven kwam maar het kon me niets schelen. Voor het eerst keek ze me aan! En hoe! Ze bedankte me. Ik zei: 'Mag ik je vriend zijn?' Stom tuurlijk. Nooit moeten doen. Maar ze zei ja.

Een dag later ging ik haar opzoeken. Ik was zenuwachtig met een nieuw overhemd aan. 'Oh, ben jij het, ' zei ze. En daarna ging ze gewoon weer aan tafel zitten en at verder, met haar ouders en haar zusje. Ik stond overbodig in de deuropening. Haar vader vroeg wie ik was. 'Die jongen van die bal, ' zei ze. Hij nodigde me uit erbij te komen zitten. Hij bood me wat te eten aan, maar ik kreeg geen hap door mijn keel. Ik keek alleen maar naar haar. Ik wist niks te zeggen. Haar zusje fluisterde tegen haar, maar wel zo hard dat ik het kon horen: 'Hij lust zeker alleen maar kroos.'

Giechelen.' - Waarom ben je niet weggegaan? 'Dat kon niet. Haar moeder vroeg van alles en ineens begon ik als een idioot te praten. 'Kwaak, kwaak, ' zei haar zusje zachtjes. Weer giechelen.

Haar vader zei tegen haar dat ze maar even gezellig met mij moest praten op haar kamer. Ik maakte bijna een sprongetje van plezier. Haar kamer! Zonder dat nare zusje!' - Is het goed gekomen? 'Het kan nooit meer goed komen. Ik zei: 'Ben je nog blij met je bal?' Ze knikte. Ik ging naast haar zitten. Toen zei ze ineens: 'Hoepel op.'

Op hetzelfde moment stapte er een jongen de kamer in, zo'n blonde, op verende schoenen. Ze sprong stralend overeind. Hij bekeek me nauwelijks en vroeg aan haar: 'Wie is die kikker?' Maar voor haar bestond ik al niet meer.'