Voor de zekerheid

HET ZIJN STERKE benen die de weelde van zo'n verkiezingsoverwinning kunnen dragen. Meer dan acht van de tien Roemeense stemmers hebben gekozen voor Ion Iliescu als president, meer dan zes van de tien voor een parlementaire meerderheid voor het Front van Nationale Redding is half volksbeweging, half partij die uit de revolutie tegen Ceausescu in december is voortgekomen. Met een meerderheid van meer dan tweederde kan het Front het zich veroorloven zich van andere politieke stromingen en groeperingen in de Roemeense samenleving niets meer aan te trekken.

Het Front kan het land grondwettelijk en anderszins inrichten naar zijn eigen inzichten die althans in de openbaarheid worden gekenmerkt door vaagheid. Democratie zeker, heeft Iliescu bij herhaling verklaard, maar dan niet het 'Westerse' maar een 'Roemeens' model. Markteconomie ook, maar met mate, en ook zeker niet naar Westers voorbeeld. Ofschoon de verkiezingen en de verkiezingscampagne werden gekenmerkt door menige ongerechtigheid de controle van het Front over de Roemeense televisie bijvoorbeeld geeft de zege voor het Front en Iliescu adequaat de stemming onder de Roemeense bevolking weer. Eerder dit jaar kozen al twee andere Oosteuropese volkeren voor wat hun de minst risicovolle weg naar een betere toekomst leek: in de DDR voor de 'zak met geld' van Kohls CDU, in Hongarije tegen radicale economische hervormingen en voor het geleidelijke programma van het MDF.

HET ROEMEENSE Front lijkt de verkiezingen vooral te hebben gewonnen met de belofte dat allerlei dingen niet zullen gebeuren: geen massale ontslagen, geen onmiddellijke decollectivisatie van de landbouw, geen onmiddellijke privatisering van de industrie, geen uitverkoop van de Roemeense economie aan buitenlanders. Voor electoraal gewin is dit programma kennelijk zeer geschikt, dat het in termen van beleid iets anders teweegbrengt dan een voortdurende stagnatie lijkt onwaarschijnlijk.

Decennia lang hebben de communistische bestuurselites van Oost-Europa uit ideologische en machtspolitieke overwegingen vastgehouden aan een steeds stroevere economie. Het lijkt erop alsof het 'op zeker spelen' thans in Oost-Europa op democratische wijze wordt gesanctioneerd (waarbij opvalt dat de Oostduitsers de financiele beweeglijkheid graag aan hun Westduitse volksgenoten overlaten). Slechts de Polen hebben besloten het experiment en daarmee het avontuur grotendeels op eigen kracht aan te gaan. Wie weet zal hun dat nog eens een bijzonder dividend opleveren.

Bij alle kritiek en achterdocht die men ten aanzien van Iliescu en de zijnen kan hebben, moet niet uit het oog worden verloren dat zij voorshands Roemenies enige hoop op een betere politieke toekomst vormen. Weliswaar hebben zij hardnekkig verzuimd te onthullen hoe de revolutie waarbij zij aan de macht kwamen is verlopen, maar anderzijds mag het een wonder heten dat in een land, zo gewurgd door langdurige dictatuur, een bestuurselite opstaat met alternatieve ideeen. Wat oppositiepartijen als de Liberale- en de Boerenpartij Roemenie hebben te bieden is even vaag en even summier.

HET IS NU aan het Roemeense Front om leiding te geven aan de democratisering in een van de jongste staten van Europa, waar ook al voor de communistische machtsgreep van 1946 het politieke leven door niet zo vrije verkiezingen en sterke mannen werd gekenmerkt. Het Front verdient bij deze lastige onderneming het voordeel van de twijfel. Maar een beetje meer oppositie in het parlement hadden Iliescu en de zijnen best kunnen gebruiken.