VN waarschuwt tegen economische dogma's in L-Amerika

MEXICO-STAD, 23 mei Een invloedrijk studiecentrum van de Verenigde Naties haalt deze maand in enkele spraakmakende rapporten uit naar 'nieuwe dogma's' die dezer dagen een grote invloed hebben op het economisch denken en handelen in Latijns Amerika. Allereerst plaatst de economische commissie voor Latijns Amerika van de Verenigde Naties (Cepal) vraagtekens bij een conventionele wijsheid zoals die onder meer wordt uitgedragen door de presidenten Collor de Mello en Carlos Menem van Brazilie en Argentinie mogelijk dat het topzware staatsapparaat optimaal moet worden uitgekleed, waarna de economische ontwikkeling moet worden overgelaten aan de ongereguleerde markt.

De liberale Peruaanse presidentskandidaat Vargas Llosa bezingt de vrije markt zelfs als volgt: 'Zij is koud, toont niemand haar gezicht, maar is rechtvaardig. Zij beloont efficiency, straft gebrek daaraan af, dwingt tot discipline en produceert rijkdom'. Gert Rosenthal, Cepal-directeur, stelt daartegenover: 'Privatisering is in bepaalde gevallen uitstekend maar het is niet iets om op een voetstuk te plaatsen en blindelings te vereren ... Het kleiner maken van de staat lost fundamentele problemen, zoals de sociaal-economische ongelijkheid, niet op. Wie zal er voor de mensen zorgen die worden buitengesloten?' Volgens de Cepal leefden in 1980 in Latijns Amerika 112 miljoen mensen beneden de armoedegrens en in 1986 al 164 miljoen, ofwel 38 procent van alle huishoudens. En met het oog op die groeiende ongelijkheden pleit de Cepal voor een voortdurende rol van regeringen bij het stimuleren van ontwikkeling.

De Cepal hielp Latijns Amerika in de jaren vijftig en zestig bij het formuleren van een economisch beleid waarbij de staat een grote rol in de economie werd toebedacht en nationale industrieen voornamelijk produceerden voor beschermde nationale markten. Dat zogenoemde 'import-substitutie-model' leidde een kwart eeuw lang tot indrukwekkende groeicijfers en de toenmalige Cepal-chef Raul Prebisch oogstte dan ook triomfen als de grote economische goeroe van het latino-continent.

In het begin van de jaren tachtig bleek echter dat dit model was uitgeput en zelfs averechts ging werken. De kolossale staatsapparaten waren bureaucratische en geldverslindende monsters geworden waar elk jaar meer geld bij moest en waar de corruptie hallucinerende vormen aannam. De schuldencrisis van 1982 bezorgde de oude systemen de genadeslag en het werd steeds duidelijker dat sanering, privatisering en liberalisering de enige uitwegen vormden. De jaren tachtig, waarin deze pijnlijke herstructureringen begonnen en economische nulgroei de norm werd voor een heel continent, wordt nu dan ook beschreven als 'het verloren decennium'. De Cepal evolueerde mee en anno 1990 meent deze in Santiago gevestigde VN-commissie dat deregulering en verkoop van verliesgevende staatsbedrijven in bepaalde gevallen noodzakelijk is. Ook meent de Cepal nu dat de Latijns-Amerikaanse landen zich niet meer kunnen beperken tot hun thuismarkten, maar hun economieen moeten openstellen voor de buitenwereld en internationaal concurrerend dienen te worden. Maar dat moet volgens de Cepal selectief gebeuren. De staat moet bepaalde regulerende functies behouden en bepaalde bedrijfstakken kunnen stimuleren.

Volgens Cepal-chef Rosenthal moeten de Latijns-Amerikaanse landen waken voor een doctrinaire toepassing van de markteconomie. 'Hoe snel de Latijns-Amerikaanse economieen ook kunnen groeien, de demografische ontwikkelingen tonen aan dat er ernstige problemen zullen blijven en dat het opvangen van alle nieuwkomers in het arbeidsproces onrealistisch hoge economische groeicijfers zou vereisen', aldus Rosenthal. De Cepal beveelt de Latijns-Amerikaanse landen daarom aan arbeidsintensieve ontwikkelingsprojecten te stimuleren. De projecten moeten internationaal concurrerend worden niet door het verlagen van de lonen maar door het verhogen van de produktiviteit. De commissie noemt als voorbeelden de Chileense fruitteelt, de bloemenindustrie in Colombia en de kippenhouderij in Brazilie.

De Cepal toont zich ook bezorgd over het feit dat de bezuinigingen en saneringen in de jaren tachtig hebben geleid tot stagnatie of zelfs aftakeling van essentiele sectoren zoals gezondheidszorg en onderwijs. 'Dat kan extreem slechte gevolgen hebben voor Latijns-Amerika's vooruitzichten tot aansluiting bij de moderne, op technologie gebaseerde wereldeconomie. Volgens de Cepal hebben voldoende investeringen in gezondheidszorg en onderwijs niets met altruisme te maken, maar zijn dat noodzakelijke investeringen in de toekomst'. In een ander rapport, dat ook deze maand verscheen, geeft de VN-commissie aan hoe Latijns Amerika kan worden geholpen bij het vinden van een compromis tussen de markteconomie en de noodzaak van sociaal getinte overheidsinvesteringen om de onheilspellende welvaartskloof te versmallen. De hulp kan komen van de schuldeisers bij wie Latijns Amerika eind 1989 voor het onmogelijke bedrag van 422 miljard dollar in het krijt stond.

De Cepal meent dat het Amerikaanse plan-Brady voor schuldenvermindering een geschikt raamwerk biedt om dat probleem op te lossen. Maar dan zouden de publieke fondsen voor de uitvoering van het plan-Brady ten minste moeten worden verdrievoudigd tot 90 miljard dollar. Volgens de VN-commissie is het de hoogste tijd dat het deel van de Latijns-Amerikaanse schuldenlast waarvan vaststaat dat het nooit kan worden afbetaald, wordt geelimineerd. 'Vrijwillige middelen zijn daarbij niet voldoende', meent Cepal-chef Rosenthal. 'De schuldeisende regeringen moeten op meer energieke wijze pressie uitoefenen op de schuldeisende commerciele banken'.