TWEE WERELDEN

Neem de trein van Amsterdam-Amstel naar Utrecht. Kijk naar links, en u ziet een 'probleemcumulatiegebied' avant la lettre.

Het begint al met de Bijlmerbajes. Vlak daarachter het eerste van een reeks stedebouwkundige vergissingen: de eindeloze rij hoogbouwflats van de Bijlmermeer. Dan komen Holendrecht en Gaasperdam. Aan de linkerkant van de spoorlijn leeft meer dan de helft van de volwassenen van een uitkering: WW, Bijstand, WAO. Dit is een gebied waar, om een recent rapport van de WRR te citeren, 'het hebben van regulier werk ongewoon is'.

En het wordt steeds erger. Een zeer groot deel van de bewoners behoort tot ethnische minderheden. Groepen die ook in deze economische hoogtij van de arbeidsmarkt af worden gedrukt. De problemen cumuleren al meer en meer.

Kijk nu naar rechts. Dat oogt heel anders. Eerst ziet u het parkachtige terrein van de Amsterdamse Golfclub. En daarachter wordt, op Bedrijventerrein Amstel III, een 'boomtown' uit de grond gestampt. Het aantal hoogbouw-kantoren is niet meer te overzien. Een reeks internationale concerns zetelt hier, van Fokker via Hoechst en Readers Digest tot IBM. Tientallen automatiseringsbedrijven huizen er achter de spiegelruiten. En de bouwkranen staan gereed om nieuwe kantoorkolossen op te richten, de een nog imponerender dan de ander.

Aan de ene kant van de spoordijk de sociale problemen, aan de andere kant de welvaart. Kunnen die twee werelden niet bij elkaar worden gebracht? Aan de 'slechte' kant van de spoorlijn is een zeer actieve woningbouwcorporatie gevestigd. De directeur van deze corporatie vertelde me onlangs over een initiatief om meer bedrijven uit de regio te betrekken bij het aanpakken van de problemen in Amsterdam-Zuidoost. Bij voorbeeld door het introduceren van positieve actie: het gericht werven van werknemers uit probleemgroepen. 'Daar komt nauwelijks iets van terecht', zei hij. 'De bedrijven aan de linkerkant van de spoorlijn voelen zich nog wel betrokken. Waarschijnlijk omdat ze zien dat de problemen bij hen op de stoep liggen. Maar de grote groep aan de andere kant van de spoorlijn, daar krijgen we geen enkele respons van.' Wanneer bedrijven uit vrije wil niet bereid zijn om de sociale problemen in hun buurt aan te pakken, moeten we ze daartoe dwingen. Dat stellen de meeste organisaties van allochtonen. Onlangs leek het zelfs even of premier Lubbers ook zoiets wilde zeggen.

Machtsmiddelen

Maar welke machtsmiddelen heeft een lokale overheid om het personeelsbeleid van bedrijven om te buigen? Twee weken geleden besloot de stadsdeelraad van de Bijlmer om in zijn gebied de zogeheten 'contract compliance' in te voeren. Ondernemers die een grote opdracht willen krijgen van de stadsdeelraad (een half miljoen gulden of meer) dienen extra inspanningen te leveren om werknemers te werven uit ethnische minderheden. Een aannemer heeft al verklaard dat hij bereid was in ruil voor verlenging van zijn contract (wegonderhoud ter waarde van een half miljoen) een allochtoon aan te nemen. Gegeven het feit dat de stadsdeelraad jaarlijks veertien miljoen gulden aan opdrachten verspijkert, zouden er via de 'contract compliance' zeven mensen uit een minderheidsgroep aan het werk kunnen worden geholpen. Of dat aantal wordt gehaald, blijft nog even de vraag. Sommige aannemers die voor de stadsdeelraad werken zeggen dat ze wel een gekleurde werknemer willen aantrekken, wanneer althans het Arbeidsbureau iemand kan leveren met de juiste kwalificaties. De conclusie lijkt duidelijk: een zinloze actie van die stadsdeelraad. Of niet? In Amsterdam wordt al jaren gesproken over 'contract compliance' als instrument om bedrijven te dwingen tot positieve actie. Sinds november vorig jaar (de Raamnota Gemeentelijk Minderhedenbeleid) is dat zelfs formeel beleid van de gemeente. Toch staat in Amsterdam niet elke bestuurder te springen om dit soort maatregelen. De gemeente wil immers ook graag veelbelovende economische activiteiten naar haar bedrijventerreinen halen. Ze heeft de werkgelegenheid nodig, en de inkomsten voor het grondbedrijf. Ze moet concurreren met andere gemeentes, die ook fraaie vestigingsplaatsen in de aanbieding hebben.

Enkele onderzoekers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid publiceerden dit voorjaar een rapport over 'Werkloosheidsbestrijding in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht'. Het rapport ligt als een steen op mijn maag, en dat komt vooral door de beschrijving van de Amsterdamse situatie.

Een intensieve aanpak van de werkloosheid vereist een goede samenwerking tussen twee instanties: de Gemeentelijke Sociale Dienst (die de leefsituatie en achtergronden van de werklozen kent) het Gewestelijk Arbeids Bureau (dat weet welke mensen gevraagd worden door het bedrijfsleven, en hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelt). Welnu, in Amsterdam kunnen die twee instanties elkaars bloed wel drinken. Het Arbeidsbureau pleit in zijn beleidsplan 1990-1994 dan ook voor stopzetting van de samenwerking met de Sociale Dienst. Het wil dat de GSD zich beperkt tot de problemen van de uitkeringsgerechtigden in wijken als de Bijlmer. Het GAB hoeft zich dan alleen nog bezig te houden met het plaatsen van de kansrijken in de 'boomtown' aan de andere kant van de spoorlijn.

Dat in Amsterdam zo'n krachtig onderscheid wordt gemaakt tussen kanslozen en kansrijken is overigens niet alleen te danken aan de bloedvete tussen deze twee instellingen. Die scheiding is hecht verankerd in het hele gemeentelijke beleid. De afdeling Economische Zaken van de gemeente doet haar best om de werkgelegenheid in de stad te laten groeien, onder het motto dat meer werk voor de kansrijken vanzelf banen op zal leveren voor de rest. Of er op die manier ooit een baantje vrijkomt voor de kansarmen - dat is het pakkie-an van andere wethouders.

Zo werkt alles en iedereen mee om de scheiding te handhaven tussen de probleemgevallen aan de ene kant van de spoorlijn, en de winnaars aan de andere kant. Dus van mij zult u geen cynisch commentaar horen op de 'contract compliance' die de stadsdeelraad in de Bijlmer heeft ingevoerd. Die probeert tenminste iets.