Rechten van de mens als basis eenwording; Raad van Europahelpt Oost-Europa met wetten

DEN HAAG De pioniers van het verenigde Europa hadden het in 1948 scherp voor ogen. Fundamentele vrijheden voor de burgers en een stelsel om de rechten van de mens te waarborgen moesten de basis vormen van de Europese eenheid, zo spraken ze op hun Congres van Europa in de Haagse Ridderzaal uit. Het resultaat van hun resoluties was de in het jaar daarop gevormde Raad van Europa en de daarmee verbonden Europese Conventie voor de rechten van de mens, die ministers van vijftien Europese landen in november 1950 in Rome ondertekenden.

Ze hebben lang moeten wachten, die Europeanen van het eerste uur. De deling van Europa drukte meer dan 40 jaar iedere paneuropese aspiratie de kop in, de beperkte bevoegdheden die de Raad van Europa werden toebedeeld stelden hen teleur en het uiteindelijke succes van de Europese Gemeenschap van de Twaalf kon niet verhelen dat slechts in een deel van het oude continent de beoogde menswaardige en welvarende samenleving ontstond.

Nu lijkt de verwezenlijking van hun idealen dichterbij dan ooit. De omwentelingen in het Oosten hebben voorvechters van de mensenrechten aan de macht gebracht die aansluiting bij de nu 23 lidstaten tellende Raad van Europa beschouwen als brevet van goed Europees gedrag, als toegangsbewijs tot het beschaafde Europa en als voorportaal van de EG. Hongarije, Polen, Joegoslavie en Tsjechoslowakije hebben hun aanvraag al ingediend. 'En er zijn aanwijzingen dat Roemenie en Bulgarije spoedig zullen volgen', aldus de Brit Andrew Dremczewski, coordinator van het Oost-West-dossier bij de Raad van Europa, deze week in het Vredespaleis op een studiebijeenkomst van het Nederlandse Helsinki Comite. Commissies van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa beoordelen de aanvragen op dit moment. De drempel is hoog. Volgens de statuten van de Raad kunnen alleen staten worden toegelaten die 'uitgaan van de regels van het recht', die bovendien aanvaarden dat 'alle personen binnen hun rechtsgebied de rechten van de mens en fundamentele vrijheden genieten' en waar een pluralistische democratie bestaat. Geen enkel land in Oost-Europa kan nog aan deze standaard voldoen, al maken Hongarije en Polen volgens Dremczewski aanzienlijke vorderingen met de aanpassing van hun rechtsstelsels in Westeuropese zin. Zelfs kan de vraag worden gesteld of de situatie van de mensenrechten in deze twee landen nu al niet beter is dan in zeker een van de 23 lidstaten van de Raad van Europa, zei hij, daarbij impliciet verwijzend naar Turkije.

Het secretariaat van de Raad van Europa adviseert Oosteuropese landen bij dit proces. Daarbij wordt voorzichtig geopereerd. Zo werd de beslissing over een verzoek van de Roemeense regering om over de situatie van de rechten van de mens te overleggen uitgesteld tot na de verkiezingen. De Raad wil duidelijke tekenen dat er werkelijk iets ten goede verandert, zeker op het gebied van de mensenrechten. Met schone beloften wordt geen genoegen genomen. Het algemene gevoelen onder de '23' is dat de Oosteuropese landen de hele weg moeten gaan voordat ze als volwaardige medebeheerders van de Europese erfenis aan de borst kunnen worden gedrukt.

De Oosteuropese ontwikkelingen hebben de staf van de Raad van Europa een gouden kans geboden de organisatie uit het vergeetboek te halen. De Franse secretaris-generaal, Catherine Lalumiere, koestert grote plannen. Begin dit jaar stelde ze voor de door president Mitterrand geopperde paneuropese confederatie rondom de Raad van Europa te formeren. En in maart liet ze weten dat de Raad bij uitstek geschikt is het centrale Europese orgaan te worden dat controle uitoefent op de naleving van de mensenrechten in heel Europa en op dat gebied taken zou moeten overnemen van de CVSE, de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, waaraan alle Europese landen minus Albanie, plus de Verenigde Staten en Canada deelnemen.

Van het eerste plan is sindsdien niets meer vernomen. Het tweede is actueel nu er eind dit jaar op een top van de CVSE over een nieuwe vredesordening in Europa zal worden gesproken. Hoezeer het voor de hand ligt dat de Raad van Europa met zijn glanzende staat van dienst op het terrein van de rechten van de mens de wijze waarop de Conventie voor de rechten van de mens wordt uitgevoerd dwingt alom respect af zijn vleugels verder uitspreidt, de hiermee verbonden problemen zijn enorm.

Van de 35 CVSE-deelnemers is een groot aantal landen geen lid van de Raad en de VS en Canada zullen dit vermoedelijk ook nooit worden. Het is onwaarschijnlijk dat Washington uitspraken van het Europese Hof voor de mensenrechten zal aanvaarden. Daarnaast hebben de rechten van de mens zoals die in CVSE-verband zijn geformuleerd niet een zelfde hoge standaard als de artikelen uit de Conventie voor de rechten van de mens van de Raad van Europa. Daar komt nog bij dat de aan de Raad gekoppelde Commissie en het Hof voor de rechten van de mens overbelast zijn en een achterstand van vele honderden zaken hebben.

Alternatieven zijn echter weinig aantrekkelijk: institutionalisering van het tot nu toe op ad-hoc-basis functionerende CVSE-proces bijvoorbeeld met een orgaan voor de mensenrechten; of zelfs het overhevelen van taken die de Raad van Europa op het gebied van de rechten van de mens vervult en van de juridische verworvenheden van de Raad naar nieuw op te richten CVSE-instellingen.

Zeker de laatste keuze zou ontmanteling van het best functionerende onderdeel van de Raad van Europa betekenen, de gedeeltelijke sloop van een vakkundig opgetrokken gebouw.