Museum Nusantara Delft viert 125-jarig jubileum met expositieover eilandcultuur Nias; Een fallus als bescherming tegen koppensnellers

In de aristocratische samenleving op het Indonesische eiland Nias, dat voor de westkust van Sumatra ligt, werd tot een eeuw geleden het politieke leiderschap verkregen door het geven van feesten. Wie de meeste en meest uitgebreide feesten kon geven had het voor het zeggen. Maar ook op andere niveaus moesten Niassers zo hun sociale rang en prestige veilig stellen.

Om zo'n feest te geven moest men eerst precies omschreven rijkdommen vergaren, waarvan de vervaardiging ook weer gepaard ging met festiviteiten. Voor de huizen werden megalieten opgericht, er werden stenen en houten voorouderbeeldjes werden gemaakt, varkensvlees werd uitgedeeld en men liet gouden sieraden smeden. Goud werd een magische kracht toegekend en het bezit ervan bepaalde de sociale, politieke, economische en religieuze verhoudingen.

Voor het eerst is nu een expositie gewijd aan de rijke oude cultuur van Nias. Het volkenkundig museum Nusantara in Delft zet er de viering van het 125-jarig bestaan mee voort, die vorig jaar werd ingezet met een nieuwe opstelling van de vaste collectie en een expositie over de ontstaansgeschiedenis van de verzameling. De Nias-tentoonstelling is groots opgezet: men leende vele objecten uit Nederlandse, Belgische, Duitse, Zwitserse, Oostenrijkse en Italiaanse musea en prive-collecties en bracht daarbij een lijvige catalogus uit met reproducties van alle 250 tentoogestelde kunstwerken en objecten. Nias is, anders dan het naburige Sumatra en andere delen van de Indonesische archipel, door de hindoeistische en islamitische cultuurstromen onberoerd gelaten. De eerste wetenschappers die halverwege de vorige eeuw het eiland bezochten troffen er daarom nog de oude megalitische, op voorouderverering gebaseerde beschaving. De Austronesische oorsprong van die cultuur is onmiskenbaar, maar recent onderzoek heeft ook Polynesische invloeden aangetoond.

Een ontwikkelde primitieve cultuur, zo lijkt de Niasse samenlevening het best te omschrijven als men de voortbrengselen ervan bekijkt die hier staan uitgestald. Er zijn mooie voorbeelden van kleine megalieten, zoals het zeldzame, helaas onthoofde beeld van een vrouw die haar kind tegen de borst drukt. Een kleine honderd houten beeldjes geven een overzicht van de houtsnijkunst, die varieert van gladgepolijste beeldjes met ronde vormen uit het noorden, hoekiger en ruwer exemplaren uit het centrale gedeelte, waar de wortels van de Niasse cultuur liggen en mengvormen uit het zuiden, met de meest complexe cultuur.

De beeldjes dienden als intermediair tussen de zielenwereld en de mensen. Men meende dat de ziel van de voorouders erin voort leefde en sommige werden uitgerust met een bamboe kokertje waarmee de ziel opgevangen kon worden. De voorouders werden steeds afgebeeld met de puntige kronen en de sieraden die op Nias gebruikelijk waren. Vaak werden ze ook uitgerust met prominent weergegeven genitalien. Behalve als vruchtbaarheidssymbool hadden die een beschermende functie, bijvoorbeeld in de beeldjes die succes bij het koppensnellen moesten verzekeren en de bezitter beschermden tegen moord.

Eenvoud kenmerkt de kunst van Nias. Op de kronen na zijn de beeldjes nauwelijks versierd. Opvallend is het contrast tussen de min of meer natuurgetrouwe weergave van de lichaamsbouw en de gestyleerde vormen van het gelaat. Die stylering is nog sterker aanwezig in de zogenaamde osa'osa, stenen zetels voor de adel in de vorm van een mythische vogel. Vrolijke breedgesnavelde lachebekken lijken het, maar wie goed kijkt ziet in de mondhoeken vervaarlijke kiezen blikkeren. Overdadige versieringen ontbreken ook op de kronen en hoofdbanden van bladgoud, de gouden oorringen en de halssieraden. Het goud moest blinken, dat was het belangrijkste, een effect dat door minder fortuinlijken met legeringen of zelfs met substituten als gele kraaltjes werd bereikt. De sieraden hebben ook simpele vormen, volgens bepaalde regels zodat men er standverschillen aan kon aflezen, maar juist daaraan ontlenen ze hun schoonheid. Zoals de sikkelvormige halssieraden van geribbeld bladgoud, die waren voorbehouden aan de adel. Of de hoofdtooien van adelijke vrouwen met palmtakken en rozetten van bladgoud. De sieraden werden steeds weer opnieuw gemaakt van de omgesmolten juwelen van de voorouders, als een symbool voor de kringloop van het leven. De Nederlanders die vanaf 1864 het eiland direct bestuurden, vonden de goudcultus verspilling. Door er paal en perk aan te stellen raakten ze de kern van de maatschappelijke orde op Nias. Dat was het begin van het einde van de rijke cultuur van Nias. Met lede ogen zien de makers van de tentoonstelling aan dat het goud plaats heeft gemaakt voor nieuwe statussymbolen als motorfietsen en televisietoestellen, gekocht met de inkomsten van het beginnend toerisme. Stellig is dat het definitieve einde, maar er is geen enkele reden de bewoners van Nias die moderne onderscheidingstekens te ontzeggen. Wat wel kan is de verdwijnende beschaving zo goed mogelijk documenteren, zoals nu in Delft.

Woensdag 30 mei om 20.15 houdt Boudewijn Buch een lezing over het eiland Nias in de Vrije Akademie, Westvest 9, Delft.