MOMENTOPNAME VAN DE OOST-WESTHANDEL

Kan de Sovjet-Unie in de nabije toekomst toetreden tot belangrijke economische organisaties als de GATT? Hoe moeten de nieuwe economische liberaliseringen in het buitenlandse beleid van China worden beoordeeld? Hoe staat het met de veelbesproken joint ventures tussen Oost en West? Dit is maar een greep uit de tientallen belangrijke vragen die in het door G. K. Bertsch en Ch.

T. Saunders geredigeerde boek East-West Economic Relations in the 1990s aan de orde worden gesteld. Twintig gerenommeerde wetenschappers uit alle delen van de wereld hebben een jaar geleden hun licht laten schijnen over de toekomst van de economische betrekkingen tussen Oost en West. Het boek presenteert zich als een soort voortgangsrapport over de mogelijkheden om een evenwichtige economische relatie tussen Oost en West te bereiken. Terugkijkend naar het pas afgesloten decennium is er weinig reden om al te optimistisch de jaren negentig binnen te treden. De diagnose is wat dat betreft gemakkelijk te stellen: het echec van de communistische centraal geleide economie is immers zonneklaar. Maar East-West Economic Relations in the 1990s beperkt zich niet alleen tot diagnoses, het waagt zich ook aan prognoses, hetgeen in het huidige uiterst labiele tijdsbestek wel enigszins gevaarlijk is.

East-West Economic Relations in the 1990s is een veelstemmig boek, en Bertsch en Saunders laten zowel Amerikanen, Russen, Hongaren, Duitsers als Chinezen aan het woord. Het zal dus niemand verbazen dat van een eenduidige conclusie over de toekomst van de Oost-Westhandel geen sprake kan zijn. En dat is eigenlijk zowel de kracht als de zwakte van het boek. De veelheid van meningen, en de tegenstrijdigheid in de verscheidene prognoses, geven een goed inzicht in de bonte verzameling wetenschappelijke inzichten op het gebied van de economische betrekkingen tussen oost en West. Maar, zoals zo vaak gebeurt bij bundels, lijkt het alsof de redacteurs zich er met een Jantje van Leiden hebben willen afmaken. De veelstemmigheid slaat dan om in een kakofonie die niet zozeer bijdraagt tot een goed inzicht, maar eerder zou kunnen leiden tot een zekere verwarring.

Dat wil niet zeggen dat East-West Economic Relations in the 1990s geen voortreffelijke artikelen bevat, en met name denk ik dan aan de bijdragen van Yuanzheng Luo en Zhang Yunling over de Chinese economische hervormingen en de implicaties die deze liberaliseringen hebben voor de economische betrekkingen met West-Europa. Beide auteurs benadrukken in hun artikel de noodzaak om de economische structuur van China aan te passen om aansluiting te houden bij de wereldmarkt. De individuele bedrijven zouden daarom veel meer autonomie moeten krijgen en zouden voortaan moeten opereren op basis van 'zelf-financiering', zoals nu ook in de Sovjet-Unie het geval is. Het grote verschil met de Sovjet-Unie en de landen van Oost-Europa zoeken beide auteurs in het gegeven dat China grotendeels een agrarisch land is, een land dat niet van stel op sprong kan moderniseren en industrialiseren.

Tot zover gaan Luo en Yunling nog gelijk op in hun analyse, maar beide auteurs staan diametraal tegenover elkaar wanneer het gaat over de meest efficiente wijze om China uit zijn economische isolement te halen. Luo onderstreept de kracht van de traditionele, arbeidsintensieve industrieen van China, en hij is ervan overtuigd dat hier voor China de grote kans ligt nu de industrialiserende landen in Azie en de Pacific zich vooral uit deze sectoren zullen terugtrekken. Tachtig procent van de Chinese bevolking is op dit moment immers werkzaam op het platteland, en door zich op de traditionele export te concentreren (voedselprodukten, textiel) zou China voldoende harde valuta binnenhalen om op de middellange termijn moderne kapitaalgoederen en hoogwaardige technologie te importeren. Pas na het jaar 2000 zou China zich kunnen richten op de geavanceerde industrieen.

Open deur

Yunling is minder terughoudend, en hij bepleit de directe introductie van hoogwaardige technologie in de Chinese economie. Alleen een volledige 'open deur'-politiek kan volgens Yunling de bestaande economische lethargie in China doorbreken. Yunling is daarom een voorstander van een uitbreiding van de 'speciale economische zones' die nu binnen China als een soort etalages op het Westen fungeren. In deze kleine kapitalistische enclaves (die in 1979 werden geintroduceerd) wordt ervaring opgedaan met de internationale handel op de wereldmarkt, ervaring die later bijzonder goed van pas kan komen wanneer grotere delen van China voor de buitenwereld zullen worden opengesteld.

Yunling ziet vooral perspectieven voor de handel met West-Europa, waarbij China in het bijzonder is geinteresseerd in technologie. West-Europa zou op zijn beurt weer kunnen profiteren van de Chinese markt, een markt die Yunling cliche-matig kenschetst als 'de grootste onontgonnen markt van de wereld'.

Geen van de auteurs gaat overigens concreet in op de lessen die China zou kunnen trekken uit de Oosteuropese ervaringen met de liberalisering van hun economieen.

Het is vooral dit gebrek aan wetenschappelijke kruisbestuiving, dat ik als het grootste bezwaar tegen dit boek zou willen aanvoeren: alle centraal geleide economieen, waar ook ter wereld, zijn verwikkeld in een dramatisch gevecht om hun politiek-economisch systeem aan de eisen van de tijd aan te passen. Dit is vanzelfsprekend geen proces waarin elke economische hervorming apart moet worden bekeken, het is juist meer dan ooit noodzakelijk om deze veranderingen aan elkaar te relateren. Alleen op deze manier kan duidelijkheid worden verkregen in het hoe en waarom van de veranderingen in de communistische wereld. Pas wanneer zo'n studie het licht ziet, kan werkelijk sprake zijn van een volwaardige prognose omtrent de Oost-Westhandel in de jaren negentig. East-West Economic Relations in the 1990s blijft daarom jammer genoeg beperkt tot een momentopname, een leuke overzichtsbundel die door de tijd snel zal zijn achterhaald.

    • Londen. Prijs
    • Christopher T. Saunders. Uitgeverij Macmillan