Boete voorgesteld als prikkel voor opleiding binnenbedrijf

DEN HAAG, 23 mei Bedrijven die werknemers ontslaan omdat ze over onvoldoende vooropleiding beschikken dienen te worden beboet. De boete zou ten goede moeten komen aan bedrijven die dergelijke werknemers bijscholen tot het niveau van aankomend vakman, ofwel het niveau van kort middelbaar beroepsonderwijs.

Deze aanbeveling doet een commissie onder voorzitterschap van Philips-topman mr. ir. F. C. Rauwenhoff in een nog vertrouwelijk rapport over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

De leden van de commissie, onder wie oud-minister dr. J. A. van Kemenade en oud-directeur- generaal hoger onderwijs dr. R. J. in 't Veld, zijn verdeeld over de vraag hoe de bovenstaande aanbeveling precies moet worden gerealiseerd. Een minderheid had liever gewacht met het uitbrengen van het rapport totdat deze en andere aanbevelingen concreter waren uitgewerkt.

De commissie is het er wel over eens dat de aanbeveling iedereen aan een basis-kwalificatie moet helpen die vlak boven het LBO-diploma ligt. De overheid kan dit niveau gezien de hoge uitval in het voortgezet onderwijs niet voor iedereen garanderen. De basis-kwalificatie is volgens de commissie echter hard nodig om het bedrijfsleven de snelle technologische ontwikkelingen te laten bijhouden en het gebrek aan goed opgeleide werknemers in bijvoorbeeld de techniek op te vangen.

De scholingsinspanningen van de bedrijven blijven nu teveel beperkt tot jonge, hooggeschoolde werknemers. Volgens schattingen beschikt op dit moment eenderde van degenen die het onderwijs voortijdig verlaten niet over de voorgestelde kwalificatie. Veel van hen vinden nu wel een baan, maar verliezen die weer na enkele jaren door hun gebrek aan een adequate vooropleiding. Daarna is volgens de commissie hun positie op de arbeidsmarkt 'dramatisch slecht'.

De voorgestelde scholingsinspanningen zouden moeten worden geregeld in uitgebreide afspraken over nauwe samenwerking tussen scholen in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en bedrijven. Daarin moeten zaken als scholing en bijscholing van docenten en werknemers van de bedrijven worden vastgelegd. De overheid moet in de voorwaarden van haar bekostiging van de scholen voor beroepsonderwijs de nascholing van de docenten verplicht stellen.

Scholen en bedrijven kunnen ook personeel gaan uitwisselen en hoogwaardige apparatuur gemeenschappelijk gaan gebruiken. De afspraken moeten tevens in de laatste jaren van het lesprogramma een combinatie van werken en leren mogelijk maken.

De commissie wil een verregaande verzelfstandiging van MBO, hogescholen en universiteiten. Zo zouden de instellingen een bestuur moeten krijgen (in een eerdere versie van het rapport Raad van Commissarissen genoemd) met onder anderen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, dat het huidige bestuur van de instellingen kan ontslaan en benoemen. De scholen moeten ook bedrijfseconomisch verzelfstandigd worden: ze krijgen de mogelijkheid een eigen facilitair bedrijf op te richten dat zonder rijksgarantie op de kapitaalmarkt kan opereren om zo de financiele mogelijkheden te verruimen.

De scholen moeten een eigen systeem van evaluatie invoeren om de kwaliteit te garanderen. De eindtermen van de overheid (een beschrijving van wat leerlingen aan het eind van de opleiding moeten kunnen en weten) voor het middelbaar beroepsonderwijs moeten verdwijnen. De inhoud van de opleidingen wordt alleen nog gericht op een beschrijving van het soort werknemers dat het bedrijfsleven wil hebben. Ook moeten elke twee jaar ondernemingen en maatschappelijke organisaties de behoeften van het bedrijfsleven inventariseren en vergelijken met de ontwikkelingen in het beroepsonderwijs en de wetenschap.

De commissie stelt verder voor dat de overheid een bepaalde verblijfsduur van de leerling in het onderwijs na de leerplichtige leeftijd bekostigt. Als de leerling voortijdig school verlaat, blijven niet-gebruikte eenheden geldig. Die kunnen worden besteed in een nieuw systeem van volwasseneneducatie waarin scholingsinstellingen van de organisaties voor arbeidsvoorziening gaan samenwerken. Zo kunnen de mogelijkheden om leerlingen langer in het onderwijs te houden worden verruimd.

Tot de instelling van de commissie werd besloten bij de totstandkoming van het regeerakkoord.