Alexanderplatz is veranderd in een orientaalse bazar; DDRvluchthaven voor duizenden Roemenen

OOST-BERLIJN, 23 mei Die universeel opgewekte jonge-damesstem die gewoonlijk via de intercom tegenvallers aan de reizigers meldt, en die iedereen kent van het vliegveld en de stationshal, spreekt dezer dagen in het Oostberlijnse Reichsbahn-station Lichtenberg een ongewone boodschap. Elke vijf minuten klinkt een bezorgde waarschuwing: willen de reizigers vooral hun tasjes goed dichtdoen en nergens hun koffers onbeheerd laten staan? Het is dinsdagmiddag, in een buitenwijk van 'Berlin, Hauptstadt der DDR', rond de klok van twee, een ruime kilometer voorbij het kolossale vroegere hoofdkwartier van de Staatssicherheitsdienst aan de Frankfurter Allee. Mijn spraakzame taxi-chauffeur heeft zijn oude Wartburg laten staan en loopt mee, verbaasd over mijn nieuwsgierigheid.

In het kleine, maar moderne station waar de treinen uit Oost-Europa aankomen zitten en liggen (op karton) in de stationshal honderden Roemenen die hun land een paar dagen eerder hebben verlaten. Het zijn geen volksduitsers maar Sinti en Roma, leden van Roemeense bevolkingsgroepen die het eigenlijk slecht met elkaar kunnen vinden, maar die het klaarblijkelijk over een ding eens zijn: de toekomst in eigen land ziet er somber uit. Soms hebben zij hun reispapieren onderweg in de trein uit het raam gegooid, vast van plan om met een eigen verhaal een nieuw leven in Duitsland te beginnen. Zeg als Jakubowsky, Schulze of Zimmermann.

Prullaria

In sommige gevallen ook willen zij eigenlijk maar even blijven en snel geld verdienen, liefst in West-, maar als dat niet lukt in Oost-Berlijn. De waar bestaat uit goedkope cassette-recorders, zelfgemaakte vloerkleden, glaswerk, glimmende sieraden, badende zigeunerinnen of andere meegebrachte prullaria. Soms kunnen zij die op de bijna in een orientaalse bazar veranderde Alexanderplatz slijten aan Polen, die er vervolgens op hun beurt zaken mee doen op hun Westberlijnse 'Polenmarkt'. Zo is er nu in het nieuwe stapelcentrum Berlijn, na de veranderingen van vorige herfst, een voor de gelegenheidshandel bruikbaar, per land gestaffeld niveauverschil tussen de diverse plaatsen in Oost- en Midden-Europa.

Enkele duizenden Roemenen zijn in Oost-Berlijn inmiddels, tot grote woede van Oostduitsers in de buurt, ondergebracht in een kazerne van de Nationale Volksarmee in het nabije Biesdorf of in gymnastieklokalen. Daar heersen wanhopige sanitaire toestanden, 's nachts wordt er af en toe stevig gevochten, vertelt een politie-agent. Zij hebben af en toe al Westduitse auto's, zegt hij erbij, met een onmiskenbaar 'ken-je-nagaan' in de ondertoon.

De Roemenen in het station Lichtenberg, of even verderop in het 'Hauptbahnhof', slapen op kartonnen matrassen, turen op houten zitjes vermoeid voor zich uit of doden staande de tijd met geagiteerde gesprekken over de waarde van verschillende soorten Oosteuropees papiergeld die zij elkaar voorhouden. Moeders houden de kleinste kinderen bezig, het iets oudere kroost is met smoezelige open handjes en aangrijpende donkere oogjes voor bedelmissies de stationshal ingestuurd. Later 's avonds zullen de besnorde volwassenen ruzie met elkaar maken, daarbij desnoods de messen onder de sjofele kleding vandaan halen, vertelt dezelfde agent. Groepjes Oostduitse 'Schutzpolizisten' maken zich alvast nerveus. Zij ontkennen desgevraagd met schrik de betekenis van hun aanwezigheid in de stationshal. Het zijn jonge mannen, wier wereldbeeld in een paar maanden tijd is gekanteld.

De Roemeense vluchtelingen zien er in elk geval heel anders uit dan de Oostduitsers die bij het hun vertrouwde in de rij staan nu voor de loketten vijandig kijken naar die armzalige buitenlanders. Het is een goed half jaar nadat vele andere, uitzinnige-blije, jonge DDR-burgers in Oosteuropese hoofdsteden als Praag en Boedapest op alle televisienetten van de wereld hun aanstaande vrijheid, althans hun aanstaande vertrek naar de bondsrepubliek, vierden. Aan de vooravond van de Duitse monetaire unie en, straks, de staatkundige eenheid met de bondsrepubliek is de DDR nu zelf al een vluchthaven geworden voor duizenden Roemenen, voor 20.000 Polen die een verblijfsvergunning hebben aangevraagd en zelfs voor enkele honderden Russen. Die Oosteuropeanen mogen de bondsrepubliek of West-Berlijn weliswaar nog niet in, maar zij lijken alvast gekomen onder het motto: als we in de DDR zijn en als de Duitse eenheid straks een feit wordt kan niemand ons meer tegenhouden op de weg naar het Westduitse paradijs.

Even verderop in Oost-Berlijn, bijvoorbeeld op de Alexanderplatz en in het Hauptbahnhof, dat vroeger Ost-Bahnhof heette, is het beeld maar weinig anders. Op 'Der Alex' blijkt trouwens het eerder op Amsterdamse straten zo succesvolle gokspel 'balletje-balletje' een topper. En geld wisselen kan om de paar meter. Zeven maanden na de grote militaire parade die destijds onbedoeld het einde van het veertigjarige SED-regime markeerde, beheersen Westduitse 'Fliegende Handler' en Oosteuropese vrije jongens er het beeld.

De DDR weet zich echter hoegenaamd geen raad met haar nieuw verworven status van immigratieland. De vroegere boeren- en arbeidersstaat heeft (nog) geen asielwetgeving, geen toetsingscriteria, nauwelijks opvangmogelijkheden maar wel een stevige afkeer van vreemdelingen. Een groep potige Oostduitsers, coupe-skinhead, snorren onder de neus, tatoeages op de blote onderarmen, staat zichtbaar te verlangen naar een knokpartij. Wat de Vietnamezen in de DDR, het land van de officieel geproclameerde 'internationale solidariteit', waren, zijn de Oosteuropeanen nu geworden.

Vorige week dinsdag, toen al zo'n vierduizend Roemenen gebruik hadden gemaakt van de jarenlang nauwelijks verwerkelijkte mogelijkheid om uit Bucuresti Nord zonder visum naar de DDR te reizen, is een registratieplicht ingevoerd. De vrijdag daarna besloot het Oostduitse kabinet dat Roemeense bezoekers voortaan een uitnodiging van een of meer Oostduitsers moesten laten zien of via hun reispapieren moesten aantonen dat zij slechts als toerist kwamen. Volgens Boekarest zou de trek naar de DDR tot eind mei (anders) wel eens tot twintigduizend mensen kunnen oplopen.

Flinke ruzie

Over de verdere behandeling van deze 'economische asielzoekers' is tussen de Oostduitse conservatieve DSU-minister van binnenlandse zaken, Diestel, en de SPD-minister van buitenlandse zaken, Meckel, al een flinke ruzie ontstaan. Diestel had zich kort geleden laten ontvallen dat 'het grondgebied van de DDR niet geschikt is om de problemen van Oost-Europa op te lossen'.

Dat mag hij niet meer zo zeggen en een inreisverbod mag hij niet zo maar afkondigen. Maar voordat op 2 juli de Duitse monetaire unie een feit wordt, heeft de DDR wel een asiel- en vreemdelingenwet, zo is eind vorige week besloten.

Ook in de bondsrepubliek is de toeloop van Roemenen, zij het andere, de laatste maanden spectaculair gestegen. Begin dit jaar heette de Westduitse minister Genscher (buitenlandse zaken) in Zevenburgen, min of meer tot schrik van zijn collega's in Bonn, de resterende circa 70.000 Roemeense volksduitsers (nakomelingen van kolonisten uit Saksen en Schwaben) hartelijk uit om naar de bondsrepubliek te komen. Wat ten tijde van wijlen de Roemeense dictator Ceausescu slechts mogelijk was voor zover Bonn 'Kopfgeld' betaalde (voor 200.000 personen, de afgelopen 15 jaar) gaat nu gemakkelijker. Vorig jaar, toen Bonn nog betaalde, kwamen zo'n 23.000 Roemeense 'Aussiedler' naar West-Duitsland. Sinds januari gaat het harder. Er zijn sindsdien al een kleine 20.000 Roemeense volksduitsers aangekomen in de overvolle opvangcentra in de bondsrepubliek, lees ik mijn taxi-chauffeur voor uit een Westduitse krant. Zijn reactie ligt tussen wrok en trots: 'Ja, Deutscher will jetzt jeder sein'.