Witsen weet wat mooi en lelijk is; Hoofd ruimtelijke ordeningstopt na kwart eeuw plannen

Mr. J. Witsen neemt na zeven jaar afscheid als directeur-generaal ruimtelijke ordening bij de Rijksplanologische dienst van het ministerie van VROM, een 'creatieve baan die stedebouwkundig ontwerpen en juridische vormgeving combineert'.

DEN HAAG, 22 mei - Hij weet precies wat hij mooi en lelijk, rationeel of minder bruikbaar vindt. De 'neo-truttigheid' van Almere spreekt hem aan, Lelystad is een mislukking, Zoetermeer is net op tijd van hoog- op laagbouw overgegaan en het Haagse stadhuisontwerp van de Amerikaanse architect Richard Meier is zijn keuze niet. Maar als je de loopomgeving daarvan Manhattan-achtig aanpakt met goede vormgeving-op-ooghoogte kan het misschien nog wat worden.

Mr.J. (Jenno) Witsen (63) neemt morgen afscheid van de Rijksplanologische dienst van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijk ordening en milieubeheer. De laatste zeven jaar was hij daar directeur-generaal voor de ruimtelijke ordening. Hij is meer dan een kwart eeuw in de ruimtelijke ordening werkzaam geweest, maakte elf ministers mee en vertelt vol enthousiasme over zijn vak en zijn werk. Naar zijn zeggen heeft dat iets heel creatiefs, vooral omdat het bestaat uit een combinatie van stedebouwkundig ontwerpen en juridische vormgeving. 'Die combinatie houdt in dat je bezig bent met een ingenieus maatschappelijk proces van sturen en beinvloeden en tegelijkertijd van volgend en dienend opereren, van goed aanvoelen wat er in de samenleving gaat gebeuren en daarop anticiperen'.

De Rotterdamse oud-havenwethouder drs. R. den Dunnen (50) is Witsens opvolger en behoort evenals zijn voorganger tot de PvdA. Hij staat bekend als een harde doordouwer. Wie medewerkers van de RPD vraagt of Witsen dat ook was, krijgt een enigszins ontwijkend antwoord. Men mocht hem graag, noemt hem een verlegen, vriendelijke man maar laat veelbetekenend in het midden of hij een sterke leider was. Witsen, oud-VPRO-ondervoorzitter, gewestelijk PvdA-bestuurder en lang geleden gevraagd als secretaris van prins Claus, voelde er destijds weinig voor om directeur-generaal te worden. Hij bleef liever tweede man bij de Rijksplanologische dienst.

Luisteren

Toch kwam hij aan de top. 'Ik ben niet zo'n vechter', zegt hij. 'Knopen ontwar ik liever dan dat ik ze doorhak. Ik werk liever met een ontleedmes dan met een bijl. Mijn kracht zat vooral in mijn vermogen tot luisteren. Daardoor wist ik medewerkers te inspireren en tot creativiteit aan te zetten om die vervolgens weer te kanaliseren.'

De scheidende directeur-generaal is een nakomeling van bekende hoofdstedelijke burgemeesters en kooplieden uit de 17de en 18de eeuw en kleinzoon van de Amsterdamse schilder, etser, fotograaf en kunstcriticus Willem Witsen (1860-1923). Hij studeerde rechten in Nijmegen, werkte enkele jaren bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en bij de gemeente Voorburg en voelt zich in zijn werk bij de RPD allereerst als jurist op zijn plaats. Met de 25 jaar oude Wet op de ruimtelijke ordening valt goed te werken volgens Witsen. Vooral na 1986 toen daarin het inspraakbeginsel werd opgenomen en de lange wetsprocedures sterk werden ingekort. Hij vindt dat men de komende jaren met de wet nog prima uit de voeten kan. Alleen de toepassing daarvan moet worden aangescherpt door vaker gebruik te maken van de ministeriele aanwijzingsbevoegdheid om een beter gecoordineerd ruimtelijk beleid van de grond te krijgen. Minister Alders wil dat graag. Hij wil dwingend kunnen optreden op het gebied van de beperking van het autogebruik.

In Den Haag geniet Witsen vooral bekendheid om zijn goede pen. Veel notities en nota's op het gebied van de ruimtelijke ordening zijn van zijn hand of door hem geredigeerd. Naar zijn mening moeten die werkstukken vooral flexibel van karakter zijn en aansluiten bij, of nog liever vooruitlopen op, maatschappelijke ontwikkelingen. 'Prachtige planologische plannen zijn niet ons eerste doel', zegt hij, 'ze staan namelijk dikwijls ver bezijden de maatschappelijk werkelijkheid.' Belangrijker dan plannen maken is volgens hem dat je in het spel van de ruimtelijke ordening alle betrokkenen bij elkaar weet te krijgen, de Haagse departementen, de provincies, gemeenten, waterschappen alsook de andere marktpartijen zoals bouwers, investeerders en projectontwikkelaars. Dat samenbrengen noemt hij een maatschappelijk proces op zichzelf. 'Het is geen administratieve kwestie van iedereen naar zijn mening vragen, gauw een nietje er doorheen slaan en klaar is een nota, maar een hulpmiddel van ruimtelijk beleid waarmee we in Nederland goed uit de voeten kunnen. In ons al zo lang en zo sterk gesocialiseerde land kan dat. Daar is men in het buitenland, tot in Japan toe soms heel jaloers op. Op het gebied van ruimtelijke ordening speelt Nederland een voortrekkersrol, iedereen kijkt naar ons. Zo zijn bepaalde begrippen uit onze planologische praktijk elders gewoonweg overgenomen. Bijvoorbeeld de woonerf-gedachte. Verder bestaat er in het buitenland veel belangstelling voor ons concept van 'scheiding en verweving', de manier waarop wij boeren bij het beheer van het platteland proberen in te schakelen'.

Revolutionair

Ook de Nederlandse nota's over de ruimtelijke ordening trekken elders de aandacht. Witsen noemt vooral de Vierde nota revolutionair: een complete verandering van beleid omdat daarin opnieuw van een grote woningbouwbehoefte 'die we drie jaar eerder nog niet zagen' wordt uitgegaan, en omdat in de laatste nota de versterking van de economische positie van de Randstad (nu in Europees perspectief) weer even centraal staat als in de eerste nota ruimtelijke ordening (1960) het geval was. 'Wat we met de Vierde nota en vooral met de aanscherping daarvan in de Vierde nota-extra willen is nogal tegenstrijdig. Namelijk tegelijkertijd versterking van de Randstad, veel nieuwe woningbouw in dat gebied, een strenger milieubeleid en terugdringing van het particuliere autogebruik. Verder is het de vraag of plaatsen als Alphen, Gouda en Woerden, goed ontsloten steden in het Groene Hart van Holland, in aanmerking moeten komen voor opvang van de verstedelijkingsbehoefte. Daarover moet binnen een half jaar worden besloten. Het gaat hier om allerlei tegenstrijdige belangen. Die met elkaar te verenigen, dat is echt vakwerk voor planologen, maar volgens mij kan het... ' Ruimtelijk beleid loopt dikwijls stuk op gebrek aan ambtelijke of politieke slagkracht, signaleert Witsen, of op veel te lange procedures. 'Neem bijvoorbeeld de geplande autoweg tussen Wassenaar/Leidschendam en Voorburg/Zoetermeer waarover al jarenlang problemen bestaan, of het Markerwaardplan en de spoorlijn naar Lelystad. Die lange besluitvorming maakt enerzijds dat ruimtelijke ontwikkelingen slecht lopen, maar kunnen anderzijds ook goed uitkomen, zoals in de tweede helft van de jaren zeventig. We kregen toen de omslag naar de stadsvernieuwing, het weer bewoonbaar maken van de binnensteden. Veel gemeenten hadden toen nog plannen voor grootscheepse doorbraken, vierbaanswegen om het verkeer de stad in te brengen. Juist doordat de besluitvorming daarover zo lang duurde, gingen die wegen niet door en kon stadsvernieuwing een succes worden'.