Selectief verhoor

In de strafzaak tegen de vroegere psychiater-directeur F. van het orthopedagogisch en jeugdpsychiatrisch centrum van de Heldring Stichtingen in Zetten werd eind vorige week een argument naar voren gebracht, dat door de rechter als 'academisch' is weggewimpeld. Wat was het geval? Verdachte F. werd beschuldigd van 'veelvuldig seksueel misbruik' van de in zijn inrichting geplaatste kinderen, van wie zeven een aanklacht hadden ingediend. De Leidse hoogleraar klinische functieleer prof. dr. W. A. Wagenaar, die optrad als getuigen-deskundige a decharge, bracht echter bezwaren naar voren tegen de manier waarop de aanklachten tot stand waren gekomen.

De politie had, aldus het rechtbankverslag in de Volkskrant van vrijdag, ' enkele jaren geleden een lijst opgevraagd met alle pupillen die in de periode 1976-1986 in Zetten verbleven. Daaruit volgde een lijst met driehonderd namen, waarvan er tweehonderd konden worden opgespoord. Ongeveer 150 voormalige pupillen verklaarden nooit door F. te zijn misbruikt. Uiteindelijk klaagden 17 van de 21 overgebleven pupillen F. aan. Door verjaring van de srafbare feiten bleven er slechts zeven over.' Wagenaar wees er, aldus NRC Handelsblad, op dat de politie had gewerkt ' zonder protocol waarin duidelijk stond hoe de vragen over eventueel seksueel misbruik aan de opgespoorde ex-pupillen zouden worden gesteld. Dat moest 'in dit speciale geval, waarin het probleem van suggestieve ondervraging zo belangrijk is, extra worden betreurd', aldus de hoogleraar.' Als gevolg van deze suggestieve ondervraging, vindt Wagenaar, is het heel wel mogelijk dat het ten laste gelegde misbruik aanzienlijk minder 'veelvuldig' is geweest dan het aantal van 17 aanklagers suggereert. Want ondervraag 200 willekeurige jongeren op een suggestieve manier over ongewenste seksuele handelingen en je krijgt altijd wel een groep die positief respondeert en zelfs is over te halen tot het indienen van een klacht.

Is dit bezwaar van Wagenaar nu academisch? Aan de ene kant wel, omdat de verklaringen nu eenmaal (onder ede) zijn ingediend en dus hoe dan ook serieus door het hof moeten worden onderzocht, op welke wijze ze ook zijn ontstaan. Aan de andere kant niet, omdat hier mogelijk wel degelijk sprake is van wat in de Verenigde Staten partieel redundante bewijsvoering wordt genoemd.

Wat dit is, kan het best worden duidelijk gemaakt aan de hand van een voorbeeld. Stel, een moordenaar verliest enig bloed op de plaats van zijn dodelijk misdrijf. Uit een test blijkt, dat het serotype bij een op de 100 mensen voorkomt. De politie gaat nu op zoek naar verdachten met dit serotype en weet er inderdaad een te arresteren. De man of vrouw wordt berecht en aan het eind van het proces, wanneer de aanklager alle belastende aanwijzingen nog eens opsomt, wordt daarbij de overeenkomst benadrukt, als betreft het een relevant feit.

Uiteraard is dit onterecht, omdat de politie juist op dit kenmerk heeft geselecteerd en de verdachte zonder dat signalement nooit zou hebben binnengebracht. Toch zijn in de VS veel jury's van de ogenschijnlijke kracht van deze statistische overeenkomst onder de indruk en wegen zij haar mee bij hun oordeelsvorming.

In het geval van de Zettense psychiater ligt de zaak natuurlijk anders, omdat het daar niet om selectie van verdachten gaat maar om selectie van slachtoffers met concrete belastende verklaringen. Wanneer die verklaringen zijn verkregen door een zowel 'selectief' als 'suggestief' opsporingsbeleid, is er echter reden om de veelvuldigheid van de klachten extra kritisch te bekijken.