Negentig jaar sociale academie

'Studenten van de sociale academie zijn maatschappij-kritischer, minderaangepast en minder conformistisch dan economiestudenten. Iemand dienaar de sociale academie gaat, wil iets bijstellen aan de samenleving.

Studenten in het hoger economisch en administratief onderwijs zijndegelijke types die de samenleving accepteren zoals die is.' Dit stereotype beeld van twee soorten studenten was voor de directeur van de Amsterdamse Hogere Economische School, J. Meppelink, reden om niet te fuseren met zoiets als een sociale academie, ook al was het de Karthuizer, een van de oudste hogere beroepsopleidingen in Nederland. Je encailleert je toch niet met zo'n zootje ongeregeld? Meppelink zegt het niet hardop, maar hij zal het ongetwijfeld gedacht hebben toen in de afgelopen jaren hardnekkige pogingen werden gedaan zijn (zelfstandige) school onder te brengen bij de Algemene Hogeschool Amsterdam. Er kwam nog bij dat zijn school populair is - en in het hoger sociaal- agogisch onderwijs raad zit. De gedachten aan een fusie zijn derhalve in de ijskast gezet, zo constateert dr. R. Neij in het gedenkboek dat hij samen met dr. E. Hueting schreef in opdracht van de Karthuizer Academie. Ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan van deze opleiding beschrijven zij aan de hand van de gang van zaken bij De Karthuizer de ontwikkeling van de sociaal-pedagogiek in haar verschillende, zeer uiteenlopende verschijningsvormen.

De opleiding begon in 1899 om iets te doen aan het dilettantisme waarmee vrouwen van gegoede stand liefdadigheid bedreven. De Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid die toen werd opgericht vanuit het progressief-liberaal particulier initiatief, legde de basis voor een schoolsoort die in de jaren zeventig haar (voorlopige) top bereikte. De Opleidingsinrichting werd School voor Maatschappelijk Werk, vervolgens Sociale Academie en vanaf 1987 'faculteit sociaal-agogische opleidingen' van de Algemene Hogeschool Amsterdam.

Meppelinks opvattingen over de sociale academie maken duidelijk dat een lange voorgeschiedenis niet voldoende is om een positieve erkenning te verwerven - al zal zijn beschrijving van de ecomiestudent evenmin door iedereen als positief worden gewaardeerd. Uit het boek van Neij en Hueting valt op te maken dat de sociaal-agogen dit gebrek aan respect voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten hebben. Lange tijd lijkt het er bij de opleiding vooral om te gaan vrouwen (de eerste decennia gold als minimumleeftijd 23 jaar) enkele jaren bezig te houden. Het was een opleiding voor een beroep dat nog moest worden uitgevonden. Met enige goede wil zou dit positief kunnen worden uitgelegd - want anticiperend op de toekomst. Maar al die negentig jaren lang waren de perioden schaars dat het gewoon goed ging. De geschiedenis sleept zich voort van probleem naar probleem: de afstemming tussen opleiding en beroep, de interne scholenstrijd, het bewuste gebruik van de opleiding door student en docent als opstapje naar de universiteit, de statuszoekerij. En natuurlijk de maatschappelijke onrust aan het einde van de jaren zestig die in deze sector ernstiger en langer dan in de rest van het onderwijs huis heeft gehouden. Het aanzien van de sociale academie en van haar studenten kan wel eens juist hierdoor het meest zijn geschaad.

Halverwege de jaren tachtig keerde de rust weer en kon de academie de draad weer oppakken waar die bijna twintig jaar daarvoor was afgebroken, zo signaleren Ney en Hueting. Eerst was nog alle aandacht nodig voor het fusieproces dat enkele jaren daarvoor in het hoger beroepsonderijs op gang is gekomen - met de vorming van de zogenoemde Algemene Hogeschool Amsterdam als voorlopig sluitstuk. De laatste maanden staat de inhoud en vormgeving van de sociaal-agogische opleidingen echter weer ter discussie.

Het boek 'De opbouw van een sociaal-agogische beroepsopleiding 1899-1989' heeft een wat tweeslachtig karakter. Het eerste deel is het minst interessant. Het gaat teveel over de mensen die de Karthuizer (overigens een naam die de opleiding pas in de jaren vijftig heeft gekregen, toen zij aan het Karthuizerplantsoen in Amsterdam werd gehuisvest) hebben opgericht en in de decennia daarna vorm gegeven. Namen en goede bedoelingen buitelen over elkaar in een tijdsperiode die er op dit moment niet zo erg meer toe doet. Het boek heeft hier het karakter van het obligate gedenkboek.

Pas in het tweede deel weten de auteurs die indruk wat weg te nemen. Ze verruimen hun blik en wagen zich aan een beschrijving van de geschiedenis van het hoger onderwijs vanaf het einde van de jaren zestig. Dat blijft nuttige literatuur - hoe onvolledig de beschrijving ook is - omdat het de lezer weer eens confronteert met de trage ontwikkelingsgang bij universiteiten en hogescholen. Veel van wat in de jaren tachtig in het hoger onderwijs veranderde werd al in de jaren zestig, begin jaren zeventig in de steigers gezet.

Zo melden de auteurs dat in 1968 werd gepleit voor een forse schaalvergroting in het hoger beroepsonderwijs. Maar als in de jaren tachtig de fusies daadwerkelijk aan de orde zijn, lijken ze dat te zijn vergeten. Ze schrijven de operatie voornamelijk toe aan (overigens marginale) bezuinigingen. Toch is het hoofdstuk waarin ze dat fusieproces in het Amsterdamse beschrijven, het meest lezenswaard. Het brengt heel aardig de krachten in beeld die bij dergelijke processen een rol spelen. Tegelijk is dit het hoofdstuk van de gemiste kansen. Met het bronnenmateriaal dat de auteurs ter beschikking stond, moet het toch mogelijk zijn geweest verder te komen dan enkel indicaties van persoonlijke belangen, intriges, sabotage-acties en zorg voor het onderwijs. De promotie van de politicoloog Foppen enkele maanden geleden over de herstructurering van het universitaire onderwijs en de geschiedenis van de Karthuizer versterken de behoefte aan een systematische, alomvattende geschiedschrijving van de ontwikkelingen in het hoger onderwijs na 1945. Misschien komt het daar nog eens van.