De kern van de poedel 'Ongewild voertuig van een ...

De kern van de poedel 'Ongewild voertuig van een associatieproces, een katalysator van gedachten die steevast uitlopen op de dood en de relativiteit van het bestaan' - het optreden van een hond heeft in de literatuur niet zelden opvallen nare gevolgen. Nico van Lieshout, neerlandicus, onderzocht voor Maatstaf de betekenis van de 'metamorfotische hond', de hond dus die meer dan hond is. Hij beperkte zich tot Goethe's Faust, Flauberts Eerste leerschool der liefde, Madame Bovary en ook Bouvard et Pecuchet, Ulysses van James Joyce en Umberto Eco's tweede roman, De slinger van Foucault. Bij Goethe verandert een zwervende zwarte poedel, eenmaal in Fausts huis, in Mefisto - 'Das also war des Pudels Kern'.

De andere auteurs hebben het kunstje van Goethe afgekeken, onveranderlijk betekent een ontmoeting met een hond - zwervend, gewond of allang dood - naderend onheil. Jammer dat Van Lieshout zijn onderwerp niet wat verder heeft uitgediept.

De duivel verschijnt ook in nog niet eerder gepubliceerde proza van Francois Haverschmidt, de dominee-dichter Piet Paaltjens. Ernest Rene van Slooten trof in de Universiteitsbibliotheek van Leiden vier prozateksten aan van Haverschmidt: reisverslagen uit het midden van de negentiende eeuw. Het beste, een verhaal over een reisje met vrouw en kinderen naar de Harz, koos hij uit voor publicatie in Maatstaf. 'Het is humoristisch en ernstig, het is gebaseerd op feiten en op fantasie, het heeft verrassende wendingen en een onverwachte ontknoping, het boeit en ontroert en soms onthutst het zelfs', zo dikt Van Slooten de kwaliteiten van zijn vondst flink aan. Vermeldenswaard is zeker dat het hier een voordrachtstekst betreft, bestemd voor twee achtereenvolgende avonden. Legenden over duivelstreken en heksendebatten op de berg Brocken (1142 m.) moeten het verhaal van de dominee de nodige sensatie verlenen. Na de top van de berg bereikt te hebben, de Teufelskanzel, droomt Haverschmidt 'snachts van Beelzebub - die bij hem een vossekop heeft - en van heksen die personificaties zijn van de speel- en drankzucht, knoeierij, kwakzalverij, en, zij is de gemeenste: Christelijke Onverdraagzaamheid.

Heel knorrig klinkt het stuk van Robert Lemm over de Spaanse literatuur van na Franco: een 'hedonistische mallemolen' noemt hij het, een welvarend dansen rond Mammon. De werkelijkheid vinden Spaanse schrijvers kennelijk niet meer interessant genoeg voor hun boeken klaagt Lemm, in navolging van de succesvolle Latijns-Amerikaanse auteurs blazen ze de werkelijkheid liever op. 'Fantasie en feminisme' zijn uitvloeisels van de welvarendheid (vadsigheid?) der Spaanse schrijvers stelt hij boud. De postfranquistische vrijheid heeft niets waardevols opgeleverd. 'Zou de kunst de verdrukking soms toch nodig hebben?' Verder in Maatstaf is het alles Venema wat de klok slaat: hij hekelt Thomas Leeflang om de te zachte aanpak van Henrik Scholte en Anton Koolhaas in zijn boek De bioscoop in de oorlog, en hij wordt zelf op zijn geschiedschrijving over de collaboratie van schrijvers en uitgevers aangevallen door Th. A. P. Bijvoet ('malicieuze wanprestatie') en door W. S. Huberts: 'Dit boek zit dermate vol met onjuistheden, verdraaiingen, onwaarheden en vervalsingen, dat er niets anders opzit dan dat iemand anders Venema's werk nog eens overdoet.' Venema is van mening dat filmcriticus Anton Koolhaas in 1941 voor de NRC heus niet zo vriendelijk had hoeven te zijn in zijn recensie van de nazistische propagandafilm Der ewige Jude. 'Niets wijst erop dat hij daartoe gedwongen is', schrijft Venema. In 1988 verklaarde Koolhaas: 'Maar het was in een periode dat ik zelf bij de Geheime Dienst Nederland zat. Dat is een illegale organisatie en ik was in die tijd erg bedreigd.'

Het commentaar van Venema: 'Dat zal wel weer'. Maatstaf 1990/5. uitg. De Arbeiderspers, 84 blz., fl.13,50. Marugg las de Dikke van Dale

Een foto uit de jaren vijftig van de Antilliaanse schrijver Tip Marugg siert het omslag van Preludium 1990/4. Aart G. Broek schrijft over Marugg en het Papiamento. De meertalige schrijvers van Curacao kregen erkenning voor hun werken voorzover die in het Nederlands geschreven waren; Cola Debrot, Frank Martinus Arion en Tip Marugg. Het omgekeerde geldt echter voor Pierre Lauf (1920-1981), die in de eerste plaats als Papiamento-auteur geeerd wordt - en dus hier volslagen onbekend is. Broeks stuk, dat op Curacao werd geschreven, citeert hij herhaaldelijk de schrijver zelf, maar vreemd genoeg zonder aan te geven of hij nu Marugg gesproken heeft of elders zijn citaten vandaan haalde. Hoewel Marugg initiatieven ter stimulering van het Papiamento steeds gesteund heeft, is ook zijn bewondering voor het Nederlands bijzonder - 'Mijn werk bij de Shell liet me voldoende tijd om tot tweemaal toe de Dikke van Dale van A tot Z, woord voor woord door te nemen.' Van zijn lievelingsmotieven - erotiek, dood en drank - wegen vooral de laatste twee zwaar in Maruggs meest recente, prachtig mooie roman De morgen loeit weer aan uit 1988. De erotiek krijgt haar neerslag in een Dikshonario Erotiko, waaraan Marugg al een jaar of tien bezig is. De honderden woorden erin zijn voor Nederlanders vaak zeer herkenbaar: pilinchi (pieletje), piruwai (pierewaaien), of plateis (platluis). Volgens Broek wacht Marugg op de uitgave van zijn woordenboek vooraleer hij verder wil werken aan zijn nieuwe roman en een nieuwe woordenlijst, nu een over drank.

Verder in dit nummer: een Bouqetreeksachtig verhaaltje van Bernard Kruysen, 'Meesterklas', een artikel van Gerrit Jan Kleinrensink over Vestdijks onvoltooide roman De aeolusharp die vorig jaar werd uitgegeven, en poezie uit de DDR van de jaren '70 en '80, verzameld en vertaald door H. G. F. Schneeweiss.

Preludium 1990/4. 86 blz., fl.9,75. Postbus 7343, 4800GH Breda.

Libretto van Fay Weldon

Een halfjaarlijkse anthologie met verhalen van schrijvers - emaal vrouwelijk, allemaal Angelsaksisch, en ze publiceren eens per half jaar allemaal over eenzelfde onderwerp: het tijdschrift Storia heeft iets bekrompens. Dat is de negatieve benadering, evengoed kan gezegd worden dat het blad door zijn gerichte keuze de aandacht van de lezers scherpt.

Het thema van het nieuwe, vierde nummer is 'Green', het omslag toont een weelde van junglegroen. Eerdere medewerkers als Jeanette Winterson, Marina Warner en Lisa St. Aubin de Teran ontbreken dit keer jammer genoeg, nu moeten de namen van Fay Weldon, Sue Townsend en crimeschrijfster Emma Tennant alles trekken. Weldon verrast door het nummer te openen met een libretto, 45 bladzijden lang, van de opera A small Green Space. Hierin verweert een kleine jongen, Colin, zich tegen het oprukkend beton in zijn stad. Weldon put uit verschillende registers, haar opera is nu eens ouderwets gedragen, vol verwijzingen naar Shakespeare en klassieke libretti, dan weer swingend als de pop-opera's van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice. De planologen zingen: 'A small green space today means a public park tomorrow. Parks were for yesterday, car parks for tomorrow. Who is the troublemaker? This Colin? Is he of ethnic origin?' Ook Sue Townsend maakt haar reputatie waar, met een schitterend verhaal over een kantoorjuffrouw die thuis in de klem van haar neurotisch nette ouders zit en op kantoor honderdelf planten heeft staan, plus haar stekjes.

Op een na hebben alle schrijfsters, hoe verbazingwekkend, hun verhaal gebaseerd op de milieubewuste betekenisvariant van 'groen'. Het Amerikaanse platteland komt geregeld terug, twee keer een idyllisch Grieks eiland, en enkele keren angst voor de naweeen van Tsjernobyl. Maar het mooiste verhaal gaat over de groene ogen van een kat. Het is van Anne Leaton en zit op een bijna geruisloze, katachtige manier vol dreiging, dood en verderf.

Aardig is ook het verhaal van de jonge Helen Slavin (23) over een geschonden rookverbod; Carole Haymans vertelling over animositeit tussen dorpsbewoners en 'stadjers' ('TOWNIES OUT! FUCK OFF BACK TO LONDON!'), en de ironische benadering van gezond eten door Candia McWilliams - 'coming to the healthfood shop was for her like going on safaris'. De enige niet-Angelsaksische bijdrage aan Storia, van de Egyptische Salwa Bakr, was het zeker waard om er de beginselen voor te breken. In 'Thirty One Beautiful Green Trees' wordt een jonge vrouw ongelukkig, omdat de bomen tussen haar huis en haar kantoor een voor een gerooid worden voor de vooruitgang. Op haar werk ligt ze eruit omdat ze een keer was vergeten haar bh aan te doen, en omdat ze liever aan een vrolijk rood bureau wilde zitten. Ze wordt gearresteerd als ze luid protesteert tegen de nepverkiezingen ('I see no woman. Why have you not sought out the reasons for the sparrows having fled from our city and why is it so full of flies and mosquitoes?'). Wanneer ze haar moeders verzuchting 'By Allah, you deserve to have your tongue cut off' wil uitvoeren wordt ze gesnapt met de schaar al in haar mond. Ze eindigt in een gesticht waar ze na eindeloze jaren nog altijd verlangt naar de oude stad en haar eenendertig mooie groene bomen. Storia 4. Pandora Press, 209blz. fl.5.99.

    • Margot Engelen
    • Literaire Tijdschriften